‘Het onderwijs is een warboel’

Piet de Rooy

Het huidige onderwijs is een ondoordringbare jungle geworden, meent deze oud-hoogleraar geschiedenis in zijn nieuwe boek, waarin hij probeert te achterhalen waar en hoe het is misgegaan. ‘Het is allemaal het perverse gevolg van de meritocratie.’

Zo onbevangen mogelijk een lijn trekken in de ‘warboel van het onderwijs’. Dat beoogt emeritus hoogleraar Piet de Rooy (1944) met zijn soepel geschreven Geschiedenis van het onderwijs in Nederland. Er staat geen woord jargon in. Tussen alle wilde anekdotes en onderzoeksrapporten wilde hij nu eens voor zichzelf uitzoeken hoe het zat. „Zo langzamerhand wist ik niet meer wat er aan de hand was”, zegt hij.

Zijn boek reikt van het begin van geletterdheid in 3200 v. Chr. tot nu. Daardoorheen loopt het leven van zijn vader, die als eerste in een streng gereformeerde familie voor onderwijzer mocht leren en van een schooltje in Sprang-Capelle opklom tot ambtenaar bij de afdeling kunstzaken van de gemeente Rotterdam en docent pedagogiek aan de lerarenopleiding in Amersfoort.

De Rooy: „Ik wilde zodoende een brugfunctie vervullen tussen mensen die ergens over lezen en degenen die het beleven. Iedere week zie je stapels rapporten verschijnen, vol cijfers en grafieken en percentielscores, waarvan je je afvraagt wat die eigenlijk betekenen. Veel onderzoek is niet betrouwbaar, althans niet dupliceerbaar. Daarmee worden ook de wijsheid en ervaring van de leerkracht en het gezonde verstand van de ouders als het ware teruggedrukt.”

Wordt het onderwijs niet ook geregeerd door tussenorganisaties?

„Ja, dat noem ik ‘de stalen ring’. Het polderland heeft van alles in overleg bij elkaar gebracht met daarbij een hele ring van particuliere adviesbureaus en interim-managers. Het is een ondoordringbare jungle geworden. Op het ministerie is kennis en ervaring, maar belangrijke klussen worden uitbesteed. Daarmee raakt men in die stalen ring verstrikt. Als al die mensen uit het overleg en de adviesbureautjes voor de klas gingen staan was het lerarentekort opgelost.”

Kan het ministerie dan niet beter zelf het beleid voorbereiden?

„Ja, want dan krijg je een opener politiek debat. Dat mis ik. Wie ben je om tegen het advies van een commissie in te gaan als dat goed valt? Veel rapporten worden met de beste bedoelingen als voldongen feiten voorgesteld. Het politieke debat in de Tweede Kamer heeft enorm veel details maar weinig visie.”

Wat kreeg u mee van uw vader?

„Dat je nooit uitgeleerd bent. Ik zag mijn vader altijd in de studeerkamer zitten omdat hij, beginnend als onderwijzer, de lange mars door de instellingen moest maken. Hij overleed vroeg. De hoogste akte die hij heeft gehaald is MO-B (toen de hoogste lerarenakte middelbaar onderwijs, red.). Later kon ik met hem over het onderwijs praten. Hij was toen leraar pedagogiek. Hij vond dat je niet voor het onderwijs in de wieg gelegd hoefde te zijn en dat hij mensen tot een hoger niveau kon brengen. Veel onderwijs is gebaseerd op eeuwenlange ervaring met wat werkt en wat niet werkt. Dat is bijna verborgen kennis die wordt doorgegeven.”

Uw vader was dus hét voorbeeld van emancipatie door onderwijs?

„Inderdaad, vanuit een eenvoudige boerenfamilie met een beperkte horizon wist hij zich intellectueel op te werken. Binnen één generatie was dat een enorme stap die hem vervreemdde van zijn familie, zowel intellectueel als religieus. Hij ging naar muziekuitvoeringen en toneelvoorstellingen en las veel. Dat was in die familie helemaal niet gebruikelijk.”

Werkt die emancipatie nog steeds?

„Ik denk dat het type emancipatie waar het onderwijs voor stond nagenoeg is voltooid. Maar de ongelijkheid van het onderwijs moet niet de ongelijkheid in de samenleving bevorderen. Dat is het perverse gevolg van de meritocratie. Doorstijgen kan niet alleen bestaan uit de vrijheid om anderen achter je te laten.”

Gaat het onderwijs die kant op?

„Ja, het basisidee van het onderwijs is veranderd, maar het lijkt op wat Freud over Rome zei: onder het stof van de drukke metropool zie je nog steeds hoe het begon. In de negentiende eeuw weerspiegelde het onderwijs de standenmaatschappij. Die laag is nooit helemaal verdwenen, maar er schoof een nieuwe laag overheen. Dat was het idee van de Amerikaanse filosoof John Dewey (1858-1952) over de community, waarin alle kinderen bij elkaar gebracht moeten worden. Dat idee werd in de jaren zestig en zeventig weer overdekt door de efficiency-beweging, die zich baseerde op zogenaamd empirisch onderzoek. Die ideeën schuiven over elkaar heen en zijn ook vaak met elkaar in strijd. Scholen moeten proberen om daar balans in te vinden en worden daarin gestuurd door overheidsgeld.”

Is het goed dat steeds meer jongeren hoger onderwijs volgen?

„Nee, scholing is voor een deel statusgedreven: ik heb meer opleiding dan jij. Deels is het de valse verwachting dat de arbeidsmarkt dit vergt, maar voor veel functies is hoger onderwijs niet nodig. Jos van Kemenade schreef al in 1975 in de Contourennota dat de schaarste van academici onderhand wel was opgelost, dus hij wilde knijpen in de uitgaven voor hoger onderwijs ten gunste van funderend onderwijs. Hij zocht de oplossing in permanente bijscholingsmogelijkheden, zoals de open universiteit, omdat je dan veel gerichter onderwijs kunt aanbieden wat nodig of nuttig is voor het werk. Die route is niet gekozen.”

Moeten er minder jongeren studeren?

„Dat is niet gemakkelijk voor elkaar te krijgen. De statusoverwegingen voor het volgen van hoger onderwijs zijn te belangrijk. Je ziet wel in Europees verband dat steeds meer nadruk wordt gelegd op een leven lang leren. Dat wil zeggen: vooral bijscholen tijdens het werk.”

Moet een kind dan leren om zelf te leren?

„Op veel basisscholen zie je hoe ontzettend graag kinderen leren. Maar er is een overmatig vertrouwen dat een kind uit zichzelf de leerstof kiest die het nuttig vindt. Dat spoort niet met het klassieke idee van educatie: een kind uit de beperking van de kindertijd leiden. De Britse socioloog Frank Furedi schrijft dat je traditioneel datgene onderwijst waar het kind zelf niet op komt.”

Dus dat leren om te leren werkt niet?

„Het leren leren moet je op een bescheiden schaal gebruiken om de didactiek te verbeteren. Daar hebben zowel leerkrachten als leerlingen wat aan. Dat is heel wat anders dan ineens een totaal nieuwe didactiek ontwikkelen en die uitrollen over het land. Iedereen voelt zich dan overvallen en er worden fouten gemaakt. Na een teleurstelling wordt de zaak dan opgedoekt.”

Zijn de grote vernieuwingen voorbij?

„Zeker. Aan de ene kant is ieder kind een individu dat ontwikkeld moet worden, kansen moet krijgen en gestimuleerd moet worden. Aan de andere kant zie je in empirisch onderzoek dat al die kinderen als ongeveer eender worden beschouwd, een soort teleenheid.

„Je kunt denken dat alle kinderen hetzelfde zijn en dat het leren leren voor ieder kind geschikt is en breed kan worden uitgerold. Als je van de individualiteit van het kind uit gaat, dan onderzoek je wat voor dit kind de beste leermethode is. De balans daartussen zou kunnen zijn dat voor sommige kinderen leren leren heel geschikt is. Die vervelen zich te pletter in een klassikale, door het rooster gedreven volgorde van lesuren, waardoor ze worden afgeremd. Anderen hebben structuur nodig en zijn pas gelukkig als ze precies weten wat van ze verwacht wordt en in welke volgorde ze dat moeten leren. Met andere woorden: kinderen zijn verschillend. Dat wordt met de mond beleden, maar in de praktijk wordt daar geen acht op geslagen.”

Wat denkt u van de curriculum- vernieuwing die nu wordt ontworpen?

„De tijd dat de overheid een curriculum kon vaststellen is voorbij. De veranderingen worden al werkende door onderwijsgevenden zelf tot stand gebracht. Grootschalige vernieuwingen hebben niet gebracht wat ervan werd verwacht.

„Al die drastische vernieuwers overschatten enorm de betekenis van onderwijs en wat zo’n school aankan. Aan de andere kant bedenken de leerkrachten voor het grootste deel onderling hoe het beter kan. De oude disciplinaire verhoudingen op school zijn verdwenen.

„Eeuwenlang was de plak (korte stok red.) het standaardinstrument van de schoolmeester. De psychologische variant zien we nog in de roman Bint van Bordewijk. Dat is ongemerkt verdwenen. En dat is door de leraren zelf tot stand gebracht. Het is een megaverandering waar nooit over wordt gepraat.”

Moet de overheid dan wel een centraal curriculum voorschrijven?

„Het curriculum is heel erg gericht op nut. Als dat het enige criterium zou zijn, dan zou ik Grieks en Latijn eruit gooien en statistiek en computervaardigheden meer tijd geven. De vraag is of je leerlingen niet beter met een scala van mogelijkheden moet laten kennismaken. Dan denk ik niet dat er aan het curriculum zoveel verspijkerd hoeft te worden.

„Scholen hoeven niet allemaal hetzelfde te doen. Voor het studeren van geschiedenis is het handig als je een beetje Latijn kent. Dus een universitaire opleiding zou dan kennis van Grieks en Latijn kunnen eisen. In dat geval moet je een school kiezen die dat aanbiedt of daar zelf in voorzien. Maar iemand die astronomie gaat studeren, heeft meer aan statistiek en hogere wiskunde. Hogere opleidingen kunnen dan specifieke eisen stellen aan mensen die instromen.”

Wordt de leraar niet vaak overgeslagen?

„Misschien komt daar verandering in door het lerarentekort. Veel leraren delen het lot van het grondpersoneel van de verzorgingsstaat, ook de politie en de zorg. Vanaf de jaren tachtig zijn die op achterstand gezet en voelen ze zich als professional ondergewaardeerd.”

Dus je moet kijken naar wat is bereikt?

„Ja, in elk internationaal vergelijkend OESO-rapport wordt in een bijzin gezegd dat de resultaten heel goed zijn, dat het onderwijs op hoog niveau staat, zo niet tot het beste behoort. En vervolgens beginnen de klachten over van alles wat niet deugt. Aan dat laatste wordt aanzienlijk meer aandacht besteed. Wees nou tevreden met welk niveau we bereikt hebben.”

    • Maarten Huygen