Gouden tip: werk nooit meer dan 65 uur

Recensie Great At Work Het boek Great At Work geeft tips om geweldig te worden in je werk. Helaas heb je er als Nederlandse werknemer weinig aan.

Illustratie Istock / Bewerking NRC

Zijn we er toch weer bijna ingetuind. Na de belofte van de vierurige werkweek door auteur Tim Ferriss, wat vooral een semantische truc bleek te zijn (ondernemers die vier uur per week besteden aan rotklusjes en de overige 56 uur werk hun hobby noemen), blijkt ook Great At Work van Morten T. Hansen geen handboek om heel veel te doen in heel weinig tijd.

De ondertitel luidt ‘How top performers do less, work better and achieve more’. Maar daarbij wordt niet uitgegaan van de Nederlandse voltijdsnorm van 35 uur per week. Integendeel. Hansen, hoogleraar management aan de universiteit van Berkeley, spoort mensen aan om vooral niet méér dan 65 uur te werken. Tot 50 uur kun je volgens hem maximaal presteren, daarboven leveren meer gewerkte uren steeds minder resultaat op.

Zijn boek is daarmee voor veel Nederlanders niet interessant. Maar wie veel ambitie heeft, of graag scoort op bijvoorbeeld de Zuidas, kan goede adviezen uit Great At Work halen. Het is een typisch Amerikaans boek, gericht op de zeer ambitieuze werknemer, ondernemer en baas. Er staat Trump-taal in, over hoe je great wordt en wat je nodig hebt om een forceful champion te worden. Het laatste hoofdstuk, gewijd aan de balans tussen werk en privé, hangt er een beetje bij. Dat blijkt alleen al uit de hoofdstuktitel: ‘Great At Work… And At Life, Too’.

Geen enkele balans

Zeven oplossingen heeft Hansen om geweldig te worden op je werk. ‘Do less, then obsess’ is de eerste en belangrijkste. Zoals bij al zijn tips komt hij met een sprekend voorbeeld. In dit geval het verhaal van de race om als eerste de Zuidpool te bereiken. Die race ging in 1911 tussen Robert Falcon Scott en Roald Amundsen.

Die laatste was als eerste op de Zuidpool, ondanks een lager budget en een kleiner team. Dat was juist zijn voordeel, legt Hansen uit: Amundsen koos ervoor om met alleen hondensledes te gaan. Hij richtte in de voorbereiding al zijn aandacht op de beste honden en de beste bemanning voor de sledes. Scott had meer geld en koos voor een combinatie van sledehonden, paarden en gemotoriseerde sledes. Daardoor sleepte hij een enorm team en materiaal mee, wat hem veel trager maakte.

Hansen adviseert wat bedrijvendokters al jaren doen: organisaties kleiner maken, verliesgevende of logge bedrijfsonderdelen afstoten en meer aandacht richten op de winstgevende onderdelen. Dat kun je als persoon ook doen, betoogt Hansen. Probeer alle activiteiten die je veel tijd kosten en niks opleveren te staken, en steek de vrijgekomen tijd in de dingen waar je al goed in bent, om daar nóg beter in te worden.

Beter worden doe je volgens hem overigens niet door lang te oefenen – 10.000 uur, zoals Malcolm Gladwell voorschrijft – je wordt beter door goed te oefenen. Dus laat je daarbij helpen, adviseert Hansen, vraag feedback, analyseer de voortgang.

Pragmatisch over passie

Ook de veelgebruikte managementterm ‘passie’ ontbreekt niet bij Hansen. Al is hij daar heel pragmatisch in: passie heeft geen zin als het geen doel (purpose) dient. P in het kwadraat, noemt hij het. En zelf beter worden heeft weinig zin als je in een team zit waar je alleen maar tegenwerking ervaart. Vandaar dat Hansen ook nog tips heeft om anderen te overtuigen, politieke spelletjes te vermijden en op het scherpst van de snede te vergaderen.

Hansen wil met zijn boek een toevoeging zijn voor de grote managementbestsellers. Zonder schroom durft hij zijn theorie een aanvulling te noemen op De zeven eigenschappen van effectief leiderschap, het uiterst succesvolle managementboek van Stephen Covey. Ook vergelijkt hij zijn boek met die andere invloedrijke bestseller, Good To Great van Jim Collins. Waar het boek van Collins vooral gericht is op bedrijven, is Great At Work bedoeld voor het individu.

Odysseus

Hansen hield een enquête onder 5.000 Amerikanen, (voltijders verdeeld over 15 sectoren en 22 functies in commerciële bedrijven) om tot deze zeven tips te komen. Dat is gelijk één van de grote minpunten van het boek. Hoe hard Hansen ook zijn best doet om de resultaten als solide wetenschap te presenteren, het blijven indicaties die mensen zelf geven. Met zo’n methode heb je de valkuil dat mensen die goed presteren op het werk, van collega’s of bazen ook precies die eigenschappen krijgen toegekend die Hansen noemt als eigenschappen waarvan je beter gaat werken. Zo is het ‘bewijs’ snel rond.

Ook blijft het discutabel hoe je nu vaststelt of iemand goede resultaten scoort. Niet iedere werknemer heeft makkelijk te kwantificeren werk. Zo wringt het onderzoek van Hansen aan meerdere kanten.

Daarnaast gebruikt hij vergelijkingen die mank gaan. Door zijn wifi uit te zetten als hij gaat schrijven, vergelijkt Hansen zichzelf met Odysseus die zich door zijn bemanning liet vastbinden aan de scheepsmast om zo niet te bezwijken voor de goddelijke zang van de Sirenen. Maar wifi is natuurlijk eerder een lonkende vette hamburger dan goddelijk gezang.

Great At Work belooft meer dan het waarmaakt. Het biedt wel tips om beter en effectiever te werken en ook om meer resultaten te halen. Die tips vind je grotendeels ook in andere boeken. Door leuke anekdotes te combineren met een vrij uitgebreid (maar wetenschappelijk zwak) onderzoek, maakt Hansen er een prettig leesbaar geheel van.

Het blijft de vraag hoe groot de lezersgroep in parttime-land Nederland is voor een boek dat beschrijft hoe je een uitblinker wordt in je baan zonder daar meer dan 65 uur voor te werken.