Recensie

Geen plaats voor menselijkheid

Junpei Gomikawa

De oorlogsroman Menselijke voorwaarden gaat over de vraag of iemand altijd mens kan blijven. De Japanse schrijver laat zien dat medemenselijkheid alleen in een ideale situatie mogelijk is.

Beelden uit de negen uur durende speelfilmtrilogie 'The Human Condition' (1959-1961) van Masaki Kobayashi, naar Gomikawa’s boek.

Wanneer de Japanse schrijver Junpei Gomikawa (1916-1995) in 1943 getuige is van de naderende onthoofding van Chinese dwangarbeiders in een ijzermijn, besluit hij in te grijpen. Een nobele daad, maar ook een onhandige. Hij heeft namelijk een onopvallende administratieve functie in de mijn en dus is de kans groot dat hij de oorlog rustig kan uitzitten. Maar door zijn ingrijpen is de leiding gekrenkt, ze voelt zich publiekelijk voor gek gezet. Prompt wordt Gomikawa opgeroepen voor het leger. Zijn ingrijpen tijdens die onthoofding zal bepalend zijn voor zijn lot, anderhalf jaar later, in Noord-China. Daar vecht hij samen met 158 Japanners tegen het Rode Leger. Ze worden in de pan gehakt en Gomikawa is een van de vier mannen die de veldslag overleeft.

Deze gebeurtenissen verwerkt hij, wanneer hij in 1948 terugkeert in Japan, in zijn roman Menselijke voorwaarden. Hierin draait het om Kaji en zijn geliefde Michiko. Kaji is een twintiger die aan het onderzoeksrapport De invloed van diverse factoren op de productie van ijzer werkt. Het rapport levert hem een betrekking op bij personeelszaken van een ijzermijn in Mantsjoerije. Geen leuke locatie, en ook zijn baantje is niet ideaal, maar het biedt hem de kans om het leger niet in te hoeven. In die mijn wil hij de arbeidsomstandigheden voor de koelies en Chinese dwangarbeiders verbeteren om zo de productie te verhogen. Kaji is er namelijk van overtuigd dat als je de werkomstandigheden verbetert, de productie stijgt.

Een mooi ideaal dat uiteraard niet werkt, zeker niet in oorlogstijd. Met de koelies lijkt het aanvankelijk nog wel goed te gaan, er wordt meer erts uit de mijn gehaald, maar waarom zou een dwangarbeider ook maar één stap extra verzetten voor de vijand?

Vertrouwen

Het hele verhaal in de mijn – de eerste twee delen van de roman – draait om de vraag of humane omstandigheden ook vertrouwen afdwingen. Nee, is het voor de hand liggende antwoord, waarom zou je mensen vertrouwen in een wereld waar Jupiter altijd meer mag dan het rund, en Japanners meer dan Chinezen? Op een plek bovendien waar Japanse bewakers het mishandelen van koelies als een soort basisvoorwaarde voor goede resultaten zien, en daarmee ook graag het belang van hun eigen positie onderstrepen. Een van de vele mishandelingen die Gomikawa schetst, gaat als volgt: ‘Hij pakte een brok erts van de kar en sloeg daarmee de koelie zo hard hij kon in zijn gezicht. Zonder een kik te geven ging de man als een blok tegen de grond. Hij pakte nog een brok erts en sloeg daarmee op het roerloze lichaam. Toen trapte hij hem zo hard dat het lichaam zich omwentelde. Daarna bewoog het zich helemaal niet meer.’

Wanneer dezelfde productieleider op een dag constateert dat acht Chinese dwangarbeiders proberen te vluchten, mondt dat uit in hun executie. Kaji grijpt in wanneer de vierde klaar staat om onthoofd te worden. Het resultaat laat zich raden: Kaji wordt enkele dagen opgesloten, geslagen, vernederd en daarna op de trein gezet richting front. Zijn vrouw Michiko blijft alleen achter.

In de twee volgende delen worden de Japanners er niet bepaald vriendelijker op. Kaji wordt een rekruut die alles in het leger nog moet leren. Omdat hij bekend staat als een ‘rooie’ met socialistische ideeën en er een dossier is van wat zich heeft afgespeeld in de mijn, wordt hij hard aangepakt. Slaag en verdierlijking zijn het resultaat. Kaji krijgt bijvoorbeeld sloffen in zijn mond gepropt opdat zijn grote bek wordt ingetoomd. Drillen en vernederen moet de soldaten opvoeden en harden. Zo moet een medesoldaat nadat hij een driloefening niet heeft afgemaakt zijn kont ontbloten, bukken en met een hoog stemmetje soldaten aanroepen.

Slaan tot gebroken jukbeenderen aan toe, stront scheppen, uren lang geweren in de lucht houden zonder te verslappen, het zijn allemaal methodes om van de rekruten betere soldaten te maken. Dat de gruwelijke vernederingen ook kunnen leiden tot wraakgevoelens komt bij de officieren niet op. Bij Kaji leidt het tot het besef dat je anderen wel kunt helpen, maar dat de prijs daarvoor al snel te hoog is. Voor humanisme is geen plaats, of zoals een meerdere binnen het leger aan Kaji formuleert: ‘Anderen helpen? O zeker, maar alleen als je daar enigszins toe in staat bent. Kijk, meneer Kaji, daar hebt u uw humanisme!’

Een rechterarm

De twee volgende delen eindigen met de veldslag voor Kaji, die ook Gomikawa meemaakte. Het verloop van de veldslag waar Kaji als een van de weinigen levend uitkomt, wordt het best getypeerd in deze zinnen: ‘Vlak voor zijn ogen lag een arm. Er was geen bloed. De arm was geel geworden. Het was een rechterarm. De hand zat er nog aan. Deze hand had hem beslist vele malen gesalueerd, met de palm naar hem toe. Hij voelde dat het zijn plicht was om vast te stellen aan wie die arm had toebehoord. Hoe hij ook keek, hij kon niet eens zeggen of de arm jong was of oud.’

Dat Kaji overleeft is toeval, maar ook omdat hij het slagveld ontvlucht en geen last heeft van een eergevoel dat erop neerkomt dat je je moet doodvechten voor het vaderland. De twee laatste delen beslaan de terugtocht, Kaji wil naar zijn vrouw. Honger, gekte en het ombrengen van Chinezen die wél eten hebben bepalen de tocht. Had Kaji in het leger nog de neiging rekening te houden met zijn mederekruten, nu is het gedaan met de laatste restjes menselijkheid. De drang om te overleven haalt het laatste vernislaagje van de beschaving af.

Kaji is een moordenaar geworden: ‘Hij, de man die altijd zo zijn best had gedaan om mens te zijn, die zich had voorgenomen om aan alle ontberingen het hoofd te bieden om dat doel te bereiken. Er was in die mens iets goed fout gegaan.’ Ook wanneer de idealen van bovenaf opgelegd worden – Kaji heeft aanvankelijk vertrouwen in de menselijkheid van het Rode Leger wanneer hij krijgsgevangene wordt gemaakt, domweg omdat het een Volksleger is en op socialisme is geschoeid – ontdekt hij dat zelfs dat niet werkt. De Russen blijken niet menselijker dan de Japanners; medemenselijkheid is alleen mogelijk wanneer de situatie ideaal is.

Zoeken naar woorden

Gomikawa’s verhaal – dat draait om de vraag ‘of iemand onder bepaalde voorwaarden nog wel mens kan zijn’ – is daarmee voltooid. Wie zich daarover ook nog maar enige illusies maakt, komt na het lezen van Menselijke voorwaarden van een koude kermis thuis. Het is bijzonder dat Gomikawa al in 1956 met die boodschap kon komen. Vergelijk je het bijvoorbeeld met Nederlandse verhalen waarin het thema van de oorlog niet vanuit de slachtoffer werd beschreven: van W.F. Hermans moest De donkere kamer van Damokles nog uitgegeven worden, en zijn boodschap van de beschaving als een laagje vernis ging er bij de lezers hier bepaald niet als zoete koek in.

Impliciet thema van veel oorlogsliteratuur is dat de gruwelijkheid nauwelijks in woorden is te vatten. Vertellen en verdringen strijden om voorrang, en daders hebben ook niet meteen de neiging om hun daden om te zetten in een roman. Overlevenden zochten vaak wanhopig naar woorden.

Van dat alles heeft Gomikawa geen last. Hij begon met het schrijven van Menselijke voorwaarden – dat in vertaling ruim 1.400 pagina’s telt en waarmee Jacques Westerhoven indrukwekkend werk aflevert – in 1948. Hoewel veel uitgevers het afwezen, werd de uitgave die er 1956 uiteindelijk kwam meteen een bestseller. De eerste oplage was 3.000, maar er werden binnen enkele maanden 300.000 exemplaren van verkocht. In de jaren zestig kwam er een negen uur durende verfilming uit. Beide zijn opvallend voor een verhaal dat zo royaal ingaat op de misdaden die de Japanners begingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, en dat in feite een aanklacht is tegen het optreden van het Japanse leger, zowel naar de vijand toe als naar de Japanse dienstplichtigen zelf.

Dagboeken

De verklaring zit waarschijnlijk in het gegeven dat in de jaren vijftig in Japan veel verhalen met persoonlijke herinneringen en dagboeken uit de Tweede Wereldoorlog werden gepubliceerd. Het pacifisme vierde toen hoogtij en de roman van Gomikawa was daarin een soort vaandeldrager. Kjeld Duits, NRC-correspondent in Japan, schreef in 2005 hierover op zijn blog: ‘Japanse bibliotheken staan vol met boeken over de Tweede Wereldoorlog. Ze sparen de lezer niet, noch hun eigen rol.’

Dat komt volgens Duits doordat in naoorlogs Duitsland de politieke en universitaire elite voorop liepen in het nemen van verantwoordelijkheid voor de oorlog. Terwijl het in Japan juist de gewone mensen waren, en niet de politieke elite. Deze elite bestond doorgaans uit de erfgenamen van de mannen die de beslissingen en de leiding hadden genomen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Japanners moesten het dus hebben van de gewone verhalen.

Dat verklaart enerzijds dat Menselijke voorwaarden een vrij eenvoudige verhaallijn heeft, maar ook van de eerste tot de laatste letter boeiend blijft en menig hoofdstuk een cliffhanger heeft. Wanneer het alleen om de literaire waardering zou gaan, kun je natuurlijk opmerken dat het allemaal misschien iets korter had gekund (dan had het boek meer voldaan aan westerse literaire maatstaven van tonen in plaats van beschrijven). Er had ook best een keertje wachtlopen minder beschreven kunnen worden. Natuur en cultuur worden te nadrukkelijk tegenover elkaar geplaatst en de weersomschrijvingen zijn soms behoorlijk potsierlijk: ‘De ondergaande zon kleurde de vlakte voor hem zo rood als bloed. Het hoge, dorre gras boog onder de koude wind.’ Maar dat is uiteindelijk waar het in dit geval niet om gaat.

Wat veel opvallender is, is dat dit verhaal over het verlies aan idealen – een onderwerp waar de westerse literatuur van barst en dus ook bepaald geen eye-opener is – juist door die stortvloed aan woorden in dit geval extra sterk wordt. Afstand en rationalisering ontbreken, en dat is wellicht de reden dat je 1.400 pagina’s lang het pad van Kaji blijft volgen en blijft hopen – tegen beter weten in – dat hij in staat zal zijn zich als mens te handhaven.

De mannen die Gomikawa in 1943 na de onderbreking van de executie van Chinese dwangarbeiders het leger instuurden, konden niet voorzien dat dit een geweldig boek zou opleveren over hoe het is om Japanner te zijn. Of in de woorden van Gomikawa zelf: ‘Dat ik Japanner ben is mijn grootste fout.’

    • Toef Jaeger