Recensie

Fascisten die Europa wilden verenigen

Fascisme en Europa

Het fascisme had wel degelijk idealen. Een daarvan was een verenigd Europa, zo toont historicus Daniel Knegt aan in een voortreffelijke studie, vol verrassende inzichten.

De grote roerganger’ (Mussolini), een schilderij van de Italiaanse kunstenaar Ernesto Thayaht uit 1939 Foto Wolfsoniana, Genua

Decennialang was de opvatting gemeengoed dat het fascisme een nihilistische anti-beweging was zonder werkelijke ideologie en intellectuele stamboom. In deze optiek gold het als overbodig en zelfs enigszins suspect om de denkbeelden van fascisten serieus te bestuderen. Eén fundamentele vraag bleef daardoor onbeantwoord. Hoe wist een beweging zonder idealen miljoenen bezielde aanhangers achter zich te scharen?

Onder invloed van verschillende toonaangevende experts op het gebied van het internationale fascisme-onderzoek (onder wie G.L. Mosse, S.G. Payne en R. Griffin) ontstond in de jaren negentig een nieuwe wetenschappelijke consensus: het fascisme was een revolutionaire ideologie en beweging met een utopisch einddoel. Fascisten streefden naar een transcendente, klassenoverstijgende synthese van alle ‘volksgenoten’ (en uitsluiting van alle anderen) in een nieuwe maatschappelijke orde. De fascistische revolutie moest een nationale wederopstanding bewerkstelligen. De nieuwe consensus maakte een verbreding en verdieping van het fascisme-onderzoek mogelijk. De studie van historicus Daniel Knegt, getiteld Fascism, Liberalism and Europeanism in the Political Thought of Bertrand de Jouvenel and Alfred Fabre-Luce (een bewerking van zijn proefschrift), is daarvan een indrukwekkend voorbeeld.

Knegt beschrijft de politiek-ideologische Werdegang en de daarmee verbonden activiteiten van de Franse intellectuelen Jouvenel (1903-1987) en Fabre-Luce (1899-1983) vanaf de jaren twintig tot begin jaren vijftig van de vorige eeuw. Het levert verrassende inzichten en een intrigerend boek op.

Jouvenel en Fabre-Luce waren afkomstig uit de hogere bourgeoisie en van huis uit internationaal georiënteerd. Beiden waren te jong om te vechten in La Grande Guerre en werden volwassen in een samenleving waarover de naargeestige schaduw van de oorlog hing. Germanofobe ressentimenten waren wijdverbreid.

Ontsporing

De bevriende publicisten Jouvenel en Fabre-Luce verwelkomden geestdriftig de Frans-Duitse toenadering in de jaren twintig. Het tweetal behoorde destijds tot een nieuwe generatie binnen de progressief-liberale Parti Radical. Zij droomden over de totstandkoming van de Verenigde Staten van Europa en hadden een afkeer van het traditionele nationalisme, dat het continent in een verwoestende broederstrijd had gestort.

Vanaf het einde van dat decennium voltrokken zich ingrijpende veranderingen in het denken en politieke engagement van Jouvenel en Fabre-Luce. Zij verloren hun vertrouwen in de moeizaam functionerende democratie en het volledig ontspoorde laissez-faire-kapitalisme. Jouvenel en Fabre-Luce pleitten voor een nationale en sociale revolutie die een einde moest maken aan het politieke en economische liberalisme. Nazi-Duitsland gold daarbij steeds meer als gidsland. De deels Joodse Jouvenel publiceerde begin 1936 zelfs een ronkend interview met Hitler. In juni dat jaar kwam in Frankrijk een Volksfrontregering tot stand die hij en Fabre-Luce beschouwden als voorpost van de Sovjet-Unie. De fascistoïde Parti Populaire Français – nog dezelfde maand opgericht door het voormalige communistische kopstuk Jacques Doriot – was ruim twee jaar lang hun politieke uitvalsbasis.

Bevreesd voor een nieuwe oorlog en het bolsjewisme namen Jouvenel en Fabre-Luce een ‘rechts’ pacifistisch standpunt in. Een gewapend conflict met Duitsland diende te allen tijden vermeden te worden. Sterker nog, een alliantie tussen het Derde Rijk en een fascistisch-corporatief georganiseerd Frankrijk moest de spil worden van een autoritair geordend Europa.

Met Hitlers verpletterende overwinning op Frankrijk in 1940 en de Duitse hegemonie op het Europese vasteland veranderde alles. Jouvenel en Fabre-Luce waren gefascineerd door de mogelijkheden die de nieuwe omstandigheden leken te bieden. Zij beschouwden de Duitse zege als de uitkomst van diepere ontwikkelingen in de westerse beschaving. Hitlers nationaal-socialisme vertegenwoordigde een historische omwenteling die superieur was aan de Franse Revolutie. De dageraad van een nieuw, fascistisch Europa lonkte. Fabre-Luce was bereid het verst te gaan in zijn dienstbaarheid aan nazi-Duitsland als wegbereider daarvan.

Mede door het repressieve bezettingsregime – Jouvenel en Fabre-Luce zaten beiden korte tijd gevangen vanwege de Duitsers onwelgevallige uitlatingen – kwamen zij vanaf 1942 tot een gedeeltelijke herziening van hun opvattingen. Bepaalde elementen van het fascistische gedachtegoed, zoals sociaal-darwinisme en elitisme, behielden zij.

Neoliberalisme

In Zwitserse ballingschap – hij stak in 1943 illegaal de grens over – voltooide Jouvenel in het laatste oorlogsjaar zijn magnum opus Du Pouvoir. De Engelse vertaling hiervan bezorgde hem internationale faam als neoliberale denker. Tot zijn nieuwe connecties behoorden onder meer Friedrich Hayek en Milton Friedman.

Terwijl een justitieel onderzoek wegens collaboratie nog liep, manifesteerde Fabre-Luce zich opnieuw als luidruchtige penvoerder van extreemrechts. Hij fulmineerde tegen het parlementaire stelsel, het nationalisme van De Gaulle en een dreigende communistische machtsovername. Als alternatief bepleitte hij een autoritaire vorm van pan-Europeanisme, dat uitging van Frans-Duitse samenwerking en de gezamenlijke exploitatie van de Franse koloniën in Noord-Afrika.

Jouvenels variant van het neoliberalisme was, behalve vrij van marktfundamentalisme, ook weinig democratisch. De irrationele massa was volgens hem ontvankelijk voor totalitaire verleidingen en moest daarom door een verlichte elite worden bestuurd. Hij en Fabre-Luce beschouwden voortaan communisme én nazisme als verschijningsvormen van totalitarisme. In tegenstelling tot hetgeen Knegt suggereert, lijkt hier toch veeleer sprake te zijn van een breuk dan van ideologische continuïteit.

Met zijn doorwrochte studie treedt de auteur niet slechts in de voetsporen van de Israëlische historicus Zeev Sternhell, die eerder beschreef hoe uiteenlopende Franse intellectuelen in de ban van het fascisme raakten. Knegt toont overtuigend aan dat het ideaal van een verenigd Europa en de fascistische gezindheid van Jouvenel en Fabre-Luce onlosmakelijk waren verbonden. Deze veel vaker voorkomende ideologische liaison tussen pan-Europese en revolutionair-fascistische opvattingen, bijvoorbeeld bij Anton Mussert en Sir Oswald Mosley, is door wetenschappers nog onvoldoende bestudeerd.

Ook na de oorlog bleven pan-Europese denkbeelden lange tijd bon ton in het milieu van extreemrechts. De inmiddels sleetse aantijging van veel populisten dat een verenigd Europa louter het krankzinnige ideaal is van een multiculturalistische, progressieve elite is óók daarom aanvechtbaar.