Recensie

De pomo’s bouwen nog overal

Architectuur

Lang was het ornament taboe in de architectuur. Maar voor Neutelings Riedijk architecten is het hét middel om een gebouw een identiteit te geven.

Niet uitgevoerd ontwerp van Neutelings Riedijk voor een casino in Utrecht Foto uit besproken boek

Het postmodernisme in de architectuur is al verschillende keren doodverklaard. Maar telkens waren de doodsberichten voortijdig. Toen Nederlandse architectuurcritici bijvoorbeeld twintig jaar geleden luid en stellig het einde van het postmoderne tijdperk aankondigde, stond Nederland aan de vooravond van een vloedgolf ‘neotraditionalistische’ gebouwen en Vinexwijken die over het hele land sloeg en nog altijd niet is weggeëbd.

Ook Terry Farrell (1938), architect van onder meer het gebouw van de Britse geheime dienst MI 6 in Londen, stelt in Revisiting Postmodernism vast dat het postmodernisme nog altijd springlevend is. Nadat hij heeft beschreven hoe hij een halve eeuw geleden als jonge architect afstand nam van het modernisme dat hem tijdens zijn studie bouwkunde met de paplepel was ingegoten, laat hij zien dat niet alleen zijn eigen werk, maar ook dat van David Chipperfield, Nicholas Grimshaw en tal van andere architecten postmodern kan worden genoemd. Sterker nog, zo verzucht Farell aan het eind van zijn essay, ‘eigenlijk zijn we nu allemaal postmodernisten.’

In het tweede deel van Revisiting Postmodernism constateert de jonge Britse architect Adam Nathaniel Furman (1982) zelfs dat het postmodernisme nu aan een nieuwe bloeitijd is begonnen die vergelijkbaar is met de hoogtijdagen in de jaren tachtig. In deze tijd van identity politics streven niet alleen Farrell en andere oude pomo’s, maar ook een nieuwe generatie architecten naar een ‘rijke, complexe, pluralistische en communicatieve architectuur’, zoals Furman het postmodernisme definieert.

New wave

Als bewijs van de bloei eindigt Furman zijn korte geschiedenis van het postmodernisme, die hij al in de jaren vijftig laat beginnen, met een flink aantal recente postmoderne gebouwen uit de hele wereld. Een opvallend groot deel hiervan, waaronder de Markthal in Rotterdam van MVRDV en de Piramides in Amsterdam van Sjoerd Soeters, staat in Nederland. Furman ziet in Nederland dan ook een ware new wave of postmodernism, waarvan hij het Inntel Hotel Zaandam, de beroemde opeenstapeling van Zaanse huisjes van WAM architecten uit 2011, het ‘meest surrealistische voorbeeld’ noemt.

Het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum of een van de andere versierde gebouwen van Neutelings Riedijk architecten ontbreekt in het overzicht van Furman. Dit is opmerkelijk, want juist de architectuur van Willem Jan Neutelings (1959) en Michiel Riedijk (1964) staat in het teken van het niet-historiserende postmodernisme waaraan Furman de voorkeur geeft, zo blijkt weer uit Ornament and Identity, een vervolg op Aan het werk uit 2004, waarin de twee architecten in woord en beeld duidelijk maken hoe hun neo-expressionistische, sculpturale gebouwen tot stand komen. In hun nieuwe, wederom stoeptegelvormige boek laten ze aan de hand van hun al dan niet uitgevoerde ontwerpen zien hoe ze op elf uiteenlopende manieren, van ‘moiré’ tot ‘reliëf’, ornamentiek toepassen in hun werk.

Hun inleiding laat zich lezen als een manifest van het postmodernisme. Verschillende keren halen ze met instemming Charles Jencks aan, de Amerikaans-Britse architect en theoreticus die in 1977 met zijn The Language of Post-Modern Architecture het postmodernisme in de architectuur introduceerde. ‘Jencks geloofde dat gebouwen weer betekenis en identiteit moesten hebben’, schrijven ze. ‘Ze moesten niet alleen verwijzen naar conventionele architectuur of lokale tradities maar ook – en nadrukkelijk – een ‘‘pluralistische taal” spreken.’

Ook doen ze een beroep op het werk van de vorig jaar overleden Poolse socioloog Zygmunt Bauman. Juist in het tijdperk van de globalisering en digitalisering, waarin wereldburgers volgens Bauman een ‘vloeibare identiteit’ hebben gekregen, bestaat een grote behoefte aan gebouwen met een duidelijke, eigen identiteit. ‘Architecture parlante’, sprekende architectuur met een duidelijk eigen karakter zoals Neutelings Riedijk hun eigen werk omschrijven, voorziet hierin. Ornamenten, die voor hun modernistische voorgangers in de twintigste eeuw juist taboe waren, zijn hierbij onmisbaar, zo besluiten Neutelings en Riedijk hun manifest. ‘Ornament vormt identiteit’, is hun laatste zin, een ferm antwoord op de bewering ‘Ornament ist ein Verbrechen’ waarmee de Oostenrijkse architect Adolf Loos meer dan een eeuw geleden de banvloek uitsprak over versieringen.

    • Bernard Hulsman