Column

Bos

Gistermiddag was het druilerig weer, maar beloofd is beloofd en zo trokken mijn neefjes (10 en 12) en ik (108) eropuit voor een wandeling in het Zeisterbos. Na een kleine twee kilometer werd de oudste een beetje kniftig. „Het is saai hier!”, zei hij. „Er is nauwelijks groen! Het had net zo goed zo een afgefikte Intratuin kunnen zijn!”

„Moment”, zei de jongste, „ik heb daar wel iets tegen.” Hij rommelde in zijn rugzak, haalde er twee speakertjes uit, sloot ze aan op zijn telefoon, startte Spotify en zette de soundtrack van The Lord of the Rings op. Zo liepen we verder, begeleid door stampende trombones en fanatieke strijkers. Wat aanvankelijk bedoeld was als een middagje botaniseren werd nu een heroïsche trektocht: alsof elk moment een orc of Cate Blanchett uit de bosjes tevoorschijn kon springen. We liepen ook nog eens stukken sneller. Toen we enkele medewandelaars tegenkwamen, keken we de andere kant op.

Na een tijdje kakte de oudste toch weer in.

„Het voelt nep”, zei hij.

„Nou en?”, zei zijn broertje, „we hebben het toch leuk?”

„Het is een soort drugstrip, maar dan zonder dat ik er problemen met je moeder door krijg”, zei ik.

„Ja maar het is niet echt”, zei hij. „We vinden dit bos nu leuk vanwege de muziek, niet vanwege het bos zelf!”

„Alsof een bos zelf zo leuk is”, zei zijn broertje.

„Al die dieren die zich kapot schrikken van de wandelaars en zich met hartkloppingen schuilhouden”, zei ik.

„Er is nergens een snackbar”, zei zijn broertje.

‘Je kan geen brandende sigaret weggooien of je wordt meteen getaserd door Stichting Natuurmonumenten”, zei ik.

De oudste bleef mokken en uiteindelijk besloot de jongste andere muziek op te zetten. Zo wandelden we door op reggae die van de omgeving één grote coffeeshop maakte, waarop we omschakelden naar opera. De oudste werd steeds chagrijniger (en wij dus steeds meliger). Op een zeker moment draaide hij zich boos om (Pavarotti was net bezig met die ene uithaal in ‘Nessun Dorma’). We zetten de muziek af. Toen was het meteen doodstil. De verwarring gleed als wolken over zijn gezicht. We liepen door. Takjes kraakten onder onze voeten. Ergens tsjilpte een vogel, maar echt spectaculair klonk het nou ook weer niet.

Na vijfhonderd meter zette de jongste toch zachtjes ‘De Notenkrakersuite’ op (dat deel met de suikerfee, waarop alles wat je doet lijkt alsof je aan het inbreken bent). Ondanks zichzelf moest de oudste even grinniken.

„En toch is het niet echt”, zei hij. Misschien was zijn lach ook wel nep, het werkte.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.