Opinie

    • Frits Abrahams

Van Hanegem ergert zich

Komt het ooit nog goed met het Nederlandse voetbal? Het zal een zware dobber worden, begrijp ik na lezing van het 400 pagina’s tellende boek Willem van Hanegem – Buitenkant links. Van Hanegem praatte het vol, de journalist Frans van den Nieuwenhof schreef het gehoorzaam op.

Niet dat Van Hanegem zo somber is over de huidige topspelers. Die zijn „nog steeds goed genoeg om bij de beste tien elftallen te horen van Europa’’, zei hij toen hij nog niet eens kon weten dat ze met 3-0 van Europees kampioen Portugal zouden winnen. Het gaat hem meer om het wereldje eromheen waar hij geen fiducie in heeft. De trainers, de bestuurders, de journalisten, ze kunnen bij hem weinig goed doen.

Vooral de trainers moeten het zwaar ontgelden. Als ik hem goed begrijp is het een nogal overbodig beroep, uitgeoefend door „schriftgeleerden” als Louis van Gaal en Co Adriaanse. Zulke trainers stoppen hun spelers boordevol met opdrachten, geven hun te weinig eigen verantwoordelijkheid en zetten hen niet op plaatsen waar ze volledig tot hun recht komen.

Over Ajax-coach Erik ten Hag: „Die zegt na afloop van een gewonnen wedstrijd altijd: ‘We hebben erop getraind wat we vandaag lieten zien’. Dus als het goed uitpakt, is het zijn verdienste. En is het kut, dan is er geen enkele journalist die vraagt: ‘Waar hebben jullie deze week nou precies op getraind?’ Zolang die trainers allemaal heel geheimzinnig doen over dat spel, verandert er helemaal niks.”

Van Hanegems nuchterheid doet soms weldadig aan. Trainers die „met een map” in de hand invallers instrueren, tactische besprekingen van anderhalf uur houden, zoals Wiel Coerver, en zweren bij het krachthonk – daar moet Van Hanegem niets van hebben. Technische vaardigheid en inzicht, daar gaat het hem vooral om, en hij verwijst gretig naar wat hij beschouwt als het beste voetbal dat ooit gespeeld is: door het FC Barcelona met Messi en het middenveld Xavi, Busquets en Iniesta.

Zulk voetbal ontstaat „spontaan” dankzij het genie van zulke spelers. De speler moet bepalen, niet de trainer. „De trainer moet niet in de verleiding komen om af te wijken van wat die spelers aan kwaliteit in zich hebben.” In concepten en vaste patronen gelooft Van Hanegem niet, hij beschouwt ook onze zogenaamde Hollandse School als mythe. „De hele Nederlandse voetbalcultuur wordt opgehangen aan trainers. Het is de wereld op zijn kop.”

Hij blijft vaag over wat nog wél van de trainer verwacht mag worden. Dat is vreemd, want hij is het ook zelf lang geweest. De enige trainer die hem als speler kon bekoren, was Ernst Happel – die liet vrijwel alles aan zijn (top)spelers over. Zo zou ik ook wel trainer willen zijn, mede gelet op de honorering.

De pers zou kritischer op het voetbalwereldje moeten zijn, vindt Van Hanegem. Hij prijst daarom het sceptische tv-praatprogramma Voetbal Inside, al heeft hij zware kritiek op presentator Wilfred Genee („Een enge man, een gluiperd”) en panellid René van der Gijp („Als ik luister naar die lach erger ik me wezenloos (…) zo’n neplach.”

Van Hanegem ergert zich zo vaak en zo hevig aan anderen dat ik me aan het einde van het boek afvroeg of hij zich ook weleens ergert aan zichzelf. Op het antwoord ben ik niet helemaal gerust.

    • Frits Abrahams