Recensie

In zijn luchten trok Georges Michel alle registers open

Beeldende kunst Georges Michel zag het landschap rond Parijs omstreeks 1800 als een schilderij uit de Gouden Eeuw. De ‘Ruisdael van Montmartre’ was op zijn beurt voorloper van de School van Barbizon.

Georges Michel, Gezicht op de Seine met een diligence (ongedateerd). Collectie Musée du Louvre, Parijs. Foto Jean-Gilles Berizzi

De Fondation Custodia in Parijs, waar sinds 1947 de collectie van de Nederlandse kunstverzamelaar Frits Lugt wordt beheerd en uitgebreid, was altijd een wat besloten kunsthistorische instelling achter de gevel van het Institut Néerlandais aan de Rue de Lille. Toen dat instituut eind 2013 werd opgeheven, besloot de Fondation meer naar buiten te treden met tentoonstellingen in het gebouw aan de straatkant. Vaak zijn dat tentoonstellingen die zowel de kunsthistoricus als de geïnteresseerde leek aanspreken.

Zo worden er nu schilderijen en tekeningen gepresenteerd van Georges Michel (1763-1843), een interessante figuur in de kunstgeschiedenis omdat hij een schakel was tussen de zeventiende-eeuwse Hollandse landschapschilderkunst en de negentiende-eeuwse Franse. Hij zag het landschap rond Parijs omstreeks 1800 als een schilderij uit de Gouden Eeuw. Dat was heel goed mogelijk, want een eenzame molen op de heuvel van Montmartre, daar kon je in die tijd nog best de hooggelegen molen in zien die Rembrandt anderhalve eeuw eerder had geschilderd. En over het uitzicht dat de heuvel van Montmartre bood op het uitgestrekte platteland ten noorden van de stad kon je in gedachten een vergezicht van Philips Koninck leggen.

Schetsmatiger

Ter introductie hangen in de eerste zaal vier Hollandse landschappen, door Jan van Kessel, Herman Saftleven en Jacob van Ruisdael (tweemaal). In het vervolg van de tentoonstelling blijkt hoe Michel hun invloed verteerde. Net als zij liet hij fel zonlicht langs donkere regenwolken op het landschap schijnen, dat daardoor afwisselend zonbeschenen en beschaduwd is. Maar de uitersten liggen bij Michel veel verder uit elkaar. In het land liggen soms bijna zwarte banen naast warmgele, en in de hemel verdringen spierwit en dreigend donkergrijs elkaar. Soms klinkt er ook nog een flard blauw mee. Michel trok alle registers open, wat zijn landschappen en luchten dramatischer maakt dan die van zijn Hollandse voorbeelden.

Bovendien schilderde hij schetsmatiger. Bomen zijn vaak niet meer dan veegjes verf op een rij, donkere accenten tegenover oplichtend water of een streep wit licht aan de horizon. Voor zo’n lichte baan in de verte hangt vaak een regensluier van grijze verf die in één beweging uit de onweerswolk erboven lijkt te zijn geveegd. In die regensluiers – een veel voorkomend ingrediënt in Michels schilderijen – komt zijn borstelige verfstreek goed van pas.

Van Gogh

Met zijn grove schildertrant werd ‘de Ruisdael van Montmartre’ op zijn beurt een voorloper van de School van Barbizon, die weer de weg bereidde voor de impressionisten. Nog weer later in de negentiende eeuw trok Vincent van Gogh zich aan Georges Michel op. In een van zijn vroegste brieven schrijft hij zijn broer Theo al dat hij in Parijs ‘een stuk of zes’ schilderijen van Michel heeft gezien, ‘holle wegen door den zandgrond die naar een molen toeliepen of een man die over de heide of zandgrond naar huis ging met grauwe luchten erboven, zoo eenvoudig en zoo schoon.’ En in zijn op vier na laatste brief, uit juli 1890, beschrijft Van Gogh een zojuist voltooid korenveld als ‘een motief zoals van Michel – maar dan is de kleurstelling zachtgroen, geel en groenblauw.’

Mocht u in de komende weken in Parijs zijn: even die zes zalen met Michels binnenlopen. Vincent van Gogh zou u erom benijd hebben.