Commentaar

Uitzetten diplomaten is een terecht signaal aan Rusland

In een nog niet vaak eerder in deze mate vertoonde gecoördineerde actie hebben de lidstaten van de Europese Unie, de Verenigde Staten, Canada en Australië besloten zo’n 130 Russische diplomaten hun landen uit te zetten. Het is het antwoord van de westerse wereld op de gifgasaanval in het Britse Salisbury eerder deze maand op de Russische ex-dubbelspion Sergej Skripal en zijn dochter. Een aanval waarvoor volgens deze landen de Russische Federatie „hoogstwaarschijnlijk” verantwoordelijk is.

De eensgezindheid is opmerkelijk. In een periode die gekenmerkt wordt door onderlinge verwijdering – Brexit, handelsbarrières, gelegenheidscoalities – blijkt opeens weer sprake van blokvorming. De ‘uitzetlanden’ wisten zich te verenigen op een signaal tegen Rusland. Een signaal dat overigens eerder symbolisch dan krachtig is. De gevolgen van het terugsturen van diplomatiek personeel zijn voor Rusland te overzien.

Voor de landen die tot de actie zijn overgegaan geldt andersom hetzelfde. De soortgelijke tegenmaatregelen die Rusland al in het vooruitzicht heeft gesteld zijn te behappen. Minder vertegenwoordigers ter plekke is heel iets anders dan geen personen ter plekke. De lijnen met Moskou blijven open. Dat is niet onbelangrijk want in de turbulente wereld van nu moet men elkaar te allen tijde weten te vinden.

Het gezamenlijke optreden is behalve een vermaning aan de Russen ook een teken van solidariteit met het Verenigd Koninkrijk. Dat het land te hulp wordt geschoten door de Europese bondgenoten op een moment dat het zich aan het losmaken is van de Europese Unie zou als de aanleiding niet zo ernstig was haast als een vorm van ironie beschouwd kunnen worden.

De nu getoonde eenheid in het optreden tegen Rusland is terecht, maar toch blijft er één ding wringen. In alle verklaringen over de gifaanval – zoals die van de Europese regeringsleiders – wordt gesteld dat de Russische Federatie hier hoogstwaarschijnlijk voor verantwoordelijk is. Een alternatieve aannemelijke verklaring is er niet, zeggen zij. De informatie waarop deze aanname is gebaseerd , komt in eerste instantie van de Britse geheime diensten.

Het doorslaggevende en voor iedereen controleerbare bewijs is er dus niet. En dat voelt toch enigszins ongemakkelijk en ook kwetsbaar. In de aanloop naar de Irak-oorlog in 2003 zijn ook beweringen gedaan op basis van door inlichtingendiensten verstrekte informatie die achteraf niet bleek te kloppen. Te denken valt aan het gelikte optreden van de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell voor de Veiligheidsraad met zijn naar later bleek onjuiste bewijzen voor de aanwezigheid van chemische massavernietigingswapens in Irak. Of de in verband met hetzelfde Irak ‘opgesekste’ rapporten door medewerkers van de toen regerende Britse premier Tony Blair.

Het is bij uitstek voor de aanklagers van Rusland een opdracht om met onomstotelijke en verifieerbare bewijzen te komen. Van de Russen mag geëist worden dat zij volledig meewerken aan het onderzoek naar de verontrustende aanslag waarbij verboden chemische wapens betrokken waren. Dat om deze eis kracht bij te zetten een volgende stap is gezet op de escalatieladder is begrijpelijk. Het is slechts te hopen dat verdere stappen achterwege kunnen blijven.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.