Recensie

Death Alley leidt ons naar de onderwereld

Er zit een sticker op de hoes, als bijsluiter. Die waarschuwt voor ‘wicked psychedelic, punked-out proto-metal that refuses to play by the rules’. Die niks-moet-alles-mag-houding is het allerlaatste restje punk dat het Amsterdamse Death Alley nog in zich heeft. Want hoewel ze in hun vorige hoedanigheid (als Gewapend Beton) nog ‘ALLES IN DE FIK!’ schreeuwden, zijn de woedende drie-akkoordentirades voorgoed verdwenen. Eén ding is gelukkig wel gebleven: de band klinkt nog steeds gevaarlijk. Vergeleken met hun debuutplaat Black Magick Boogieland durft Death Alley op Superbia nóg meer gas terug te nemen. In plaats van als felle messteken klinken de gitaarpartijen van Oeds Beydals als mysterieuze bezweringen. Bijvoorbeeld in ‘The Sewage’, een slepende progrockopera van bijna twaalf minuten die toch nog eindigt in een fade-out. ‘Pilgrim’ is een meerstemmige hypnose waarin zanger Douwe Truijens de willoze luisteraars naar de onderwereld laat marcheren. We waren gewaarschuwd.