Dirigente Emmanuelle Haïm

Foto Laurie Lewis/Lebrecht/ Hollandse Hoogte

‘Als kind wilde ik al dirigent worden’

Interview De Française Emmanuelle Haïm richtte zelf een ensemble op om te kunnen dirigeren. Nu hoort haar Le Concert d’Astrée tot de beste ensembles ter wereld. „Mijn muzikale dorst zal nooit gelest zijn.”

In het stemmige art deco van het Théâtre de Champs-Élysées dirigeert Française Emmanuelle Haïm (50) een sterrencast in Händels opera Alcina. Boven de orkestbak uit vlammen haar rode krullen, en in haar wiegende lichaam slaat het hart van de muziek. Op het toneel kruist de Italiaanse mezzo Cecilia Bartoli de degens met de Franse countertenor Philippe Jaroussky. Drie eeuwen oude noten voelen als het hier en nu. Haïm brengt de gevoelens van de hoofdfiguren met kracht tot leven.

Twee weken voor de première zit ze op de punt van een luie bank in Villa Madame in Parijs, op een steenworp afstand van de Jardin du Luxembourg die met zijn beeldenreeks Reines de France et Femmes illustres een eerbetoon is aan de sterke vrouw. En dat is de Franse dirigente Emmanuelle Haïm.

Haar handen plukken woorden als rijpe vruchten van een denkbeeldige boom. Slechts eenmaal liggen ze hulpeloos en stil in haar schoot, wanneer het gesprek stuit op een wond die – haar stem daalt af tot een toonloos fluisteren – „nooit lijkt te willen helen”: de vroege dood van haar vader. Ze zwijgt even en slikt het verdriet in. „Of zijn sterven vragen in mij opriep?”, herhaalt ze. „Ik weet het niet. Het mondde in elk geval uit in een eindeloos protest tegen het noodlot. Ik was het er niet mee eens: een ouder mag niet zomaar verdwijnen uit het bestaan van een vijfjarige dochter.”

‘Gelukkig wist ik niks van het leiden van een ensemble, anders zou ik er nooit aan begonnen zijn’

Ze koestert weinig herinneringen aan hem. Het belangrijkste beeld tekent haar vader als een brenger van muziek. Want op een dag hoorden ze thuis het trage geronk van een vrachtwagen door de nauwe straten van het Parijse Ile de la Cité, om de hoek van de kathedraal Notre-Dame. Het geluid hield op voor hun woning. De bel ging. Aan de deur stonden drie verhuizers, die een vleugel kwamen brengen. „Mijn vader was op dat moment even weg. Buiten medeweten van mijn moeder had hij het instrument gekocht. Ik herinner me dat zij in een soort shock was, ergens tussen vreugde en angst. Beiden zaten nog zonder baan. Waar moesten ze dit van betalen?”

Bezetenheid

Haar moeder vond al snel werk als psychiater. In de late avond bespeelde ze de vleugel „wanneer wij kinderen hoorden te slapen”. Op kousenvoeten sloop de kleine Emmanuelle dan naar haar slaapkamerdeur en zette die op een kier. Haar Hongaarse stiefvader bracht bevriende topmusici uit zijn geboorteland mee naar huis. En zo zag en hoorde Haïm op dezelfde glimmende vleugel waarop zij dagelijks oefende, het spel van de pianisten András Schiff en Zoltán Kocsis. „Door die ervaringen voelde ik al jong een verbondenheid met muziek, die me nooit meer zou loslaten. Een bezetenheid maakte zich van mij meester. Die dorst zal nooit gelest zijn. Ik moet elke dag muziek drinken.”

Haar eerste lessen kreeg Haïm van de zus van haar vader, een concertpianiste. „Mijn tante liet me elke week een prelude en fuga van Bach studeren. ‘Dit is je dagelijks brood’, zei ze erbij. In de taal van de barok voelde ik me meteen thuis, omdat niet alle noten in steen gebeiteld staan. In de begeleiding van de basso continuo scheppen we een eigen klankuniversum en de werelden die hiermee samenhangen.”

Op het Parijse conservatorium ontdekte Haïm de klavecimbel. „Die toetsen…” Haar lichaam wiegt, de vingers lijken het afwezige instrument te bespelen. Ze neuriet de aria ‘Scherza infida’ uit Händels Ariodante.

„De lichamelijkheid. De piano was te groot voor me. Te krachtig. De klavecimbel vraagt veel fantasie. Dat past bij me. In een Bach-fuga praten vier mensen met elkaar, ik moet achter de toetsen hun persoonlijkheden verzinnen, en daarna tot leven brengen. Zoals Bach-pianist Glenn Gould liet horen in zijn lied ‘So you want to write a fugue’. Vaak verlangen mensen historische correctheid. En wie dat nastreeft, bereikt precies het tegendeel van wat barok is. Zij staat juist voor hartstocht, voor het buitensporige, voor het ware leven. Je moet luisteraars niet afschepen met een muzikale verhandeling, maar verrassen met het gevoel en de kracht die in de noten schuilgaan.”

Kinderdroom

Jarenlang speelde Haïm klavecimbel in de beroemde Franse barokensembles Les Arts Florissants van William Christie en Les Talens Lyrique van Christophe Rousset. Totdat rond haar dertigste een oude herinnering in haar ontwaakte: de kinderdroom van een achtjarige die dirigent wilde worden. „In die tijd zeurde ik net zolang de schoolmeester aan zijn hoofd totdat hij me het koor eens liet dirigeren. Ik was een koppig kind. Op mijn rapport stond: ‘Goede leerling, maar kan ze eens ophouden met praten.’ Die dirigeerdroom vervluchtigde. Andere zaken vroegen mijn aandacht. Mijn rugwervel groeide scheef, wat betekende dat ik vanaf mijn twaalfde tien jaar lang een harnas moest dragen. Ik ging op in het studeren, lesgeven en spelen. En op een dag drong het besef tot me door: ik ben vergeten wat ik eigenlijk wilde.”

En dus liet Haïm rond de eeuwwisseling alles uit haar handen vallen en richtte een eigen barokensemble op: Le Concert d’Astrée. Ze stak er al haar spaargeld in, ze vroeg financiële hulp aan familie en vrienden en schakelde bekenden in als administratief personeel. „Gelukkig wist ik van niks, anders zou ik er nooit aan begonnen zijn. Ik dacht alleen aan muziek maken.”

Het duurde even voor alles financieel op orde was, maar artistiek kon Le Concert d’Astrée zich direct meten met de internationale top, mede door haar leerschool bij Christie en Rousset, zegt ze. En ook door het lichtende voorbeeld van dirigent Simon Rattle. „Hij laat musici spelen op een manier die zij zelf niet voor mogelijk houden. Na onze eerste ontmoeting dacht ik: Voilà, het is dit of niets. Ik mocht niet langer lui op mijn continuo-plek blijven zitten. Ik moest verantwoordelijk worden voor wat ik doe en wil. Dat veranderde mijn leven.”

    • Joost Galema