Van Catalaans in de bioscoop kijkt niemand meer op

Achtergrond Met de aanhouding van de Catalaanse ex-premier Puidgemont nemen de politieke spanningen in Spanje weer toe. Wat betekent dat voor de bloeiende Catalaanse cinema, die diep verweven is met de Spaanse film?

Succesvol in heel Spanje: Summer 1993 van de Catalaanse cineaste Carla Simón

Laia Artigas was pas zeven jaar toen ze vorig jaar de hoofdrol speelde in de film Estiu 1993 (in Nederland uitgebracht als Summer 1993) van de Catalaanse cineaste Carla Simón. Maar haar presentie was er niet minder om, net zo min als haar soms indringende en dan weer ondoorgrondelijke blik. Onwillekeurig denk je terug aan Ana Torrent, de actrice die in 1976 op tienjarige leeftijd internationaal indruk maakte met haar rol in de film Cria cuervos van Carlos Saura. Eén verschil was er wel. In Estiu 1993 wordt geen Spaans maar Catalaans gesproken.

Dat is ook in de Madrileense bioscoopzalen al lang niet meer uitzonderlijk of opzienbarend. De Catalaanse film maakt een grote bloei door. Deels met films waarin de smartelijke herinnering aan de Burgeroorlog nog eens wordt opgehaald: een onuitputtelijk thema voor de hele cinema van het Spaanse schiereiland, al zijn daaruit wel de ergste stereotypen verdwenen. In zijn film Incerta glòria, naar de als Ongewisse glorie in het Nederlands vertaalde roman van Joan Sales, maakte Agustí Villaronga vorig jaar duidelijk dat wit en zwart in beide kampen gemakkelijk vermengd raakten tot een onbestemd grijs.

Maar liever richten de huidige Catalaanse cineasten zich op problemen van vandaag. In Estiu 1993 wordt de door Laia Artigas gespeelde Frida opgevangen door haar oom en tante, nadat haar beide ouders aan aids zijn overleden. Dat zoiets niet vanzelf gaat laat Carla Simón in haar met prijzen overladen debuutfilm op subtiele en intieme wijze zien. In Brava van Rosa Aguilar vlucht een jonge vrouw die op straat is overvallen terug naar het dorp van haar ouders, om te ontdekken dat ze ook daar door haar angsten achtervolgd blijft. En in Julia ist volgt Elena Martin een door haarzelf gespeelde Erasmus-studente naar Berlijn, in haar emotionele ontworteling en radeloosheid.

Dat is maar het topje van de ijsberg van de Catalaanse films die in het afgelopen jaar, vaak met succes, werden uitgebracht. Dat de Catalaanse overheid veel geld overheeft voor de bevordering van de eigen taal en cultuur is daaraan niet vreemd. Dat in Catalonië de onafhankelijke cinema, met kleinschalige maar intense producties, een grotere rol speelt dan in Madrid misschien evenmin. Opvallend is daarbij het grote aantal vrouwelijke filmmakers dat tot het grote publiek weet door te dringen, vaak ook met vrouwelijke hoofdrolspelers. Bijna tweederde van de studenten aan de Catalaanse filmopleidingen is vrouwelijk, zo wist het dagblad El País te melden. In Madrid is dat net iets meer dan eenderde.

De Catalaanse film is relatief jong. Onder de Franco-dictatuur was het Catalaans weliswaar niet verboden, zoals nogal eens wordt beweerd, maar in officiële instellingen mocht het niet gesproken worden en dat was niet bevorderlijk voor een bloeiend cultureel leven. Pas met de stichting van het Catalaanse Filminstituut in 1975, het jaar van Franco’s dood, kwam er weer beweging in de Catalaanse cinema.

De eerste belangrijke vrucht daarvan was de film La ciutat cremada (‘De verbrande stad’) van Antoni Riba uit het daaropvolgende jaar, die ook in het buitenland goed werd ontvangen. Die stad was Barcelona en ‘verbrand’ was zij tijdens de ‘tragische week’ van 1909, toen de regering hard ingreep bij protesten tegen de oorlogsinspanning in Noord-Afrika van een land dat er vanwege het recente verlies van koloniën toch al slecht aan toe was. La ciutat cremada leek daarmee de toon te gaan zetten voor een gepolitiseerde Catalaanse cinema, waarin het nationalistisch verzet tegen ‘Madrid’ zich al aankondigde.

In werkelijkheid viel dat nogal mee. Weliswaar greep ook een andere succesfilm uit de Catalaanse cinema, La plaça del diamant van Francesc Betriu uit 1982 (naar de gelijknamige roman van Mercè Rodoreda), terug op de ervaring van de burgeroorlog. Maar dat deden in die tijd zoveel films in Spanje. Vandaag is er, ondanks de belangrijke financiële injecties van de Catalaanse overheid, in de bioscoopzaal weinig te merken van de recente opleving van het separatisme. Het Catalaans is er een ‘gewone’ taal geworden, aan het succes waarvan ook buiten de regio niemand zich een buil valt.

Blik naar buiten

Datzelfde geldt ook voor de andere minderheidstalen die Spanje rijk is. De Baskische cinema vestigde de aandacht op zich met de prachtige film Loreak uit 2014 en vorig jaar met het historische drama Handia, spelend ten tijde van de Carlistische oorlogen halverwege de 19de eeuw. Een nog recenter succes is de hedendaagse thriller Dhogs van de jonge cineast Andrés Goteira, gefilmd in het Galicisch, de taal die gesproken wordt ten noorden van Portugal.

Die normalisering van de regionale eigenheid in de Spaanse cinema, allereerst die van het Catalaans, roept ook vragen op. Hoe ‘Catalaans’ zijn al deze films nog, afgezien van de taal die erin gebezigd wordt? Elena Martins Julia ist speelt zich af op het Europese toneel dat voor hedendaagse Erasmus-studenten gewoon geworden is. Nog duidelijker is dat bij de recente film The Bookshop van Isabel Coixet, de belangrijkste Catalaanse cineaste van dit moment. Zich afspelend in Engeland en geheel Engels gesproken won deze Brits-Duits-Spaans-Catalaanse co-productie drie Goya’s: de belangrijkste filmprijzen in Spanje.

Niet verwonderlijk is het dan dat Coixet een van de ondertekenaars was van het manifest waarin vooraanstaande Catalanen uit het culturele leven zich uitspraken tegen het Catalaanse onafhankelijkheidsstreven. Net als alle andere sectoren van de economie is de Catalaanse cinema te zeer verweven geraakt met de Spaanse om dat nog zonder grote schade te kunnen ontwarren. Tegelijk is zij voldoende geïnternationaliseerd om niet ingesnoerd te blijven binnen een kleine staatkundige eenheid met nationalistische obsessies en een naar binnen gekeerde blik.

Met Estiu 1993 bewijst Carla Simón voor de Catalaanse film te kunnen doen wat Carlos Saura veertig jaar geleden voor de Spaanse film deed. Die twee bestaan intussen náást elkaar en anders dan in de politiek leidt dat niet tot problemen. Ook in Madrid had Estiu 1993 veel succes.

    • Ger Groot