India’s maoïstische rebellen zijn al een halve eeuw onverslaanbaar

‘Volksoorlog’

Al een halve eeuw houden de rebellen en de Indiase staat elkaar in evenwicht. Ruim 12.000 doden vielen er de voorbije 20 jaar.

Maoistische rebellen trainen in de bossen van Abujh Marh in de deelstaat Chhattisgarh. Foto Mustafa Quraishi/AP

Vijf agenten in burger, met patroonhouders aan hun riemen en bewapend met automatische wapens van Indiase makelij, wachten ons op bij een smalle verharde weg aan de rand van het oerwoud. Ze worden aangevoerd door Mohid Garg, een jonge politieman, ook in burgerkledij. „Kom maar langs”, had hij gezegd aan de telefoon. „Ik neem je mee naar een dorp. We hebben de situatie er onder controle.”

„Ik zei niet dat de ultra’s hier verslagen waren”, zegt hij nu, met een zuinig lachje, als ik hem vraag waarom we een gewapend escorte nodig hebben.

We zijn in deelstaat Chhattisgarh, in de beruchte Bastar-regio. Hier vechten politietroepen tegen maoïstische rebellen. Zij voeren vanuit de jungles in het oosten en zuiden een ‘volksoorlog’ tegen de Indiase staat. De politie noemt ze ‘ultra’s’ of ‘terroristen’. Meestal worden ze Naxals of Naxalieten genoemd, naar het dorp Naxalbari in deelstaat West-Bengalen, waar in 1967 een communistische opstand plaatsvond die het begin vormde van een halve eeuw strijd.

De maoïsten hebben zo’n 10.000 strijders. Ze controleren ruim 100 dorpen in ‘bevrijde gebieden’ en zijn nu actief in 10 van de 29 deelstaten. De maoïstische districten lopen als een rode corridor van het noordoosten naar het zuidwesten.

Politieman Garg wijst op een heuvel in de verte. „Daarvandaan houden ze ons nu in de gaten. Ze kunnen niet van ons winnen, ons wel pijn doen.” Inderdaad, de maoïsten zijn nergens sterk genoeg om een stad te veroveren en in handen te houden. Laat staan de paramilitaire veiligheidstroepen van de Central Reserve Police Force (CRPF) een beslissende slag toe te brengen. Andersom lukt dit ook niet. „Zolang een deel van de bevolking hen steunt, kunnen ze het volhouden.”

De voorbije twintig jaar vielen ruim 12.000 doden. De cijfers zijn afkomstig van de Indiase overheid, die toegeeft dat de doden vooral onschuldige burgers zijn die ofwel vermoord werden door Naxalieten omdat ze politie-informanten zouden zijn, ofwel terechtkwamen in kruisvuur.

Zonder steun van de lokale bevolking lukt een guerrillastrijd niet. Waarom krijgen de maoïsten steun in booming India? Ze streven naar de vernietiging van de staat, vallen overheidsdienaren en politici aan, leggen bommen tijdens verkiezingen en doden dorpelingen omdat ze verraders of klassevijanden zouden zijn. Toch krijgen ze hulp van de bevolking en sluiten elk jaar jongeren zich aan bij hun troepen.

„Mensen geven ze water en voedsel uit angst”, zegt Garg. Ze zijn bang voor de strijders en de scherpe vonnissen van hun ‘volksrechtbanken’ in de jungledorpen, waarbij commandanten in het openbaar lijfstraffen uitdelen. Ze zijn hier ook vatbaar voor propaganda, want het is hier níet booming. De Naxals krijgen steun waar de overheid faalt, voegt Garg eraan toe. „Pas als mensen toegang krijgen tot de buitenwereld zien ze hoe anders de wereld is dan de Naxals ze jaren hebben verteld. Dan pas leren ze dat ze rechten hebben en dat de overheid gratis gezondheidszorg en voedselhulp biedt.” Hij wijst op de weg. „We leggen wegen aan om de dorpen te ontsluiten. Dat hadden we jaren eerder moeten doen.”

Na een paar kilometer bereiken we het dorpje. Er scharrelen kippen rond en in een smoezelig schoolgebouwtje krijgen kinderen les. Er zijn geen tafels en stoelen. De onderwijzeres kijkt schuchter, de kinderen angstig. Ze variëren in leeftijd van drie tot elf, vertelt de onderwijzeres. Ze leert ze tellen in het Hindi, een taal die ze verder niet spreken: hun moedertaal is het lokale Gondi. De huisjes zijn leeg. Er zijn geen bewoners. Waarschijnlijk zijn ze het bos in gevlucht toen ze de gewapende agenten zagen naderen. Garg: „Vertrouwen wekken gaat langzaam.”

De Aboriginals van India

Ruim 500 kilometer noordwaarts, in de stad Bilaspur, reageert advocate Isha Kandelwal schamper op wat politieman Garg zei. Het is niet zo dat de junglebewoners meteen verkocht zijn als ze de moderne wereld leren kennen, vindt ze. „Ze worden gediscrimineerd en uitgebuit omdat ze arm zijn, geen Hindi spreken en hun rechten niet kennen.”

In deelstaat Chhattisgarh behoren de meeste junglebewoners tot de adivasis, de Aboriginals van India: de oudste stammen van het subcontinent, met hun eigen talen, gebruiken en primitieve levenswijze. Adivasis leven van het oerwoud: verzamelen honing, zaden en kruiden en verbouwen gewassen op kleine akkertjes. Hoewel ze straatarm zijn, is de mineraalrijke oerwoudgrond van onschatbare waarde: ijzererts, kalksteen, bauxiet, goud en diamant. Toch is Chhattisgarh, met zijn 26 miljoen inwoners van wie 10 miljoen onder de armoedegrens, al jaren India’s armste deelstaat.

De adivasis zien de overheid als hun handlangers, want de CRPF beschermt de mijnen en staalfabrieken, en beveiligt de wegenbouwers. De maoïsten spelen in op de woede van de adivasis door zich op te werpen als hun beschermers. ‘Jal, jangal, jameen’ is hun leuze: water, jungle, land – de levensvoorwaarden voor de adivasis.

Lees ook deze reportage over de advisasis uit 2010: Verdreven en misleid in de jungle

Er worden geregeld abusievelijk dorpelingen doodgeschoten omdat ze worden aangezien voor maoïsten. Of met opzet, waarna hun identiteit wordt veranderd in die van een gezochte maoïst, zodat de agenten de prijs kunnen opstrijken die op zijn hoofd stond. Advocate Khandelwal verdedigde eens een jongen van 15 jaar. Hij heette Arjun, net als een gezochte Naxal-commandant van 30 jaar. De jongen werd gearresteerd. Khandelwal wist hem op borgtocht vrij te krijgen nadat zijn schoolmeester zijn identiteit had bevestigd. Volgens zijn familieleden haalde de politie hem vervolgens van huis op, hees hem in een Naxal-uniform en schoot hem diep in het oerwoud dood.

Paramilitairen

In 2015 en 2016 meldden tientallen adivasi-vrouwen uit verschillende dorpen dat ze verkracht waren door paramilitaire eenheden die hun dorpen binnentrokken, op zoek naar maoïstische strijders. Het vaste patroon is dat zo’n 200 troepen een dorp in bezit nemen, legt Khandelwal uit. Ze blijven vier of vijf dagen. „Ze eten alles op wat er is, de rijst, de schapen, de geiten, alle voorraden. Ze stelen geld, ze verscheuren kleding. En als ze vertrekken en er is nog voedsel of vee over, dan wordt dat verbrand en gedood. Het staat duidelijk in de getuigenissen: ze vernietigen het dorp.” Vaak vluchten de mannen het bos in. De vrouwen blijven achter. Ze worden door de veiligheidstroepen vernederd, geslagen en soms aangerand of verkracht. In januari 2016 stuitte Khandelwal en een groep vrouwelijke activisten op een grote zaak in het dorp Nendra en omliggende nederzettingen in het oerwoud van Bijapur, niet ver van waar politie-officier Mohid Garg de nieuwe weg door de jungle toonde. „Dertien zaken van groepsverkrachting en 16 beschuldigingen van aanranding. En uiteraard brandstichting, plundering en dat soort zaken. Kijk, als het een enkel geval was, dan kun je nog denken: dit is gedaan op bevel van één kwaadwillende officier. Maar het is een patroon. Er moeten orders van hogerhand zijn gegeven.”

Dat ontkent Vivekanand Sinha ten stelligste. Hij is de hoogste politiecommandant in de deelstaat. Hij draagt een camouflageuniform en een klein brilletje. Zijn hoofdkwartier is omgeven met wachttorens waaruit machinegeweren steken. We krijgen thee.

„De verkrachtingsaantijgingen zijn een probleem”, zegt hij. „Ik heb instructies gegeven dat er geen onschuldigen meer mogen worden lastiggevallen.”

Is het waar dat zijn politietroepen ook mijnbouwbedrijven beveiligen?

„Waarom niet? Het is onze verantwoordelijkheid om alles wat leidt tot ontwikkeling te beschermen. Dus bieden wij veiligheid aan mijnbouw, maar ook aan wegenbouw en irrigatie.”

Vrouwelijke commando-eenheid

Sinha is de opvolger van Shiv Ram Prasad Kaluri. Die maakte het te bont door journalisten en activisten te bedreigen. Daarbij, zo luidt de beschuldiging, maakte hij gebruik van een agressieve burgerbeweging die huizen binnendrong en vernielingen aanrichtte bij kritische intellectuelen. Een deel van de JagLAG-groep van Isha Khandelwal besloot na intimidatie door politie en hooligans de biezen te pakken. Khandelwal (27) bleef. Politiecommandant Sinha ziet in dat hij het vertrouwen van de mensen moet winnen, wil hij iets bereiken tegen de maoïsten. „We willen beter contact met de bevolking. Daarom hebben we een vrouwelijke commando-eenheid opgericht”, zegt hij.

De volgende dag bezoeken we de eenheid. Het blijkt te gaan om 32 vrouwelijke agenten met twee weken gevechtstraining die zich nu ‘commando’ mogen noemen. Ze dragen groen-gele camouflageuniformen, hun haar in een knot. Politieofficier Mila Rachak: „Als mannelijke commando’s in een dorp opereren, zijn er vaak beschuldigingen van aanranding. Wij kunnen dit voorkomen. Als de dorpsvrouwen ons zien, zijn ze minder bang.”

Die avond vindt in een bos vlakbij een schietpartij plaats tussen maoïsten en de politie. Zes Naxalieten worden gedood, een van hen is een vrouw. De volgende dag bezoeken we zonder politie-escorte in hetzelfde gebied een dorp verderop in de jungle. Hier gaat de verharde weg over in smalle voetpaden. De nederzetting bestaat uit verspreid liggende houten huizen, deels opgetrokken uit bamboematten, en omgeven met afrasteringen van doorntakken en scherp geslepen staken.

De sarpanch van het dorp, een gekozen leider, staat ons niet te woord, evenmin als medebewoners. Want wie bewijst dat wij geen politie-informanten zijn?

Het enige stenen gebouw is het schooltje, waar we drie docenten spreken. Tot we beginnen over de Naxalieten en de vrouwelijke commando’s. „Laten we thee drinken zodat u kunt ophouden met vragen stellen, want dat is lastig voor ons”, zegt schoolhoofd Vijay Prasad.

Als we de poort uit lopen, komt een van de docenten ons achterna. Hij wil praten als we zijn naam niet vermelden in de krant. „Natuurlijk kennen we de Naxalieten. Ze komen regelmatig informeren naar de school en vragen dan of we nog iets nodig hebben. We zijn niet bang voor ze, ze doen ons geen kwaad tenzij we samenwerken met de politie.”

Steunen de mensen uit het dorp hen ook? Niet uit overtuiging, zegt hij.

„Maar buiten het bos zijn geen banen. Onze jongeren hebben geen toekomst. Sommigen vinden dat de Naxals hen tenminste iets bieden dat op een leven lijkt.”

Dit is de laatste reportage van Joeri Boom als onze correspondent in India.
    • Joeri Boom