Opinie

    • Arjen Fortuin

De macht en de onmacht van de camera in ‘De verloren kinderen van het kalifaat’

Zap Sinan Can ging naar Syrië met een vader die zijn familie verloor aan IS. In de documentaire ‘De verloren kinderen van het kalifaat’ is een familiehereniging te zien, maar als kijker blijf je achter met een dubbel gevoel.

De verloren kinderen van het Kalifaat (BNNVARA)

Het leven van Houssein is in scherven gevallen. Zes jaar geleden vertrok zijn dochter Meryam, haar man achterna, naar Syrië om zich daar aan te sluiten bij IS. Later volgde Housseins ex-vrouw, in het gezelschap van hun vijftienjarige zoon Ilyas. Ilyas werd een kind met een kalasjnikov. Hij kwam om bij een bombardement op een wapendepot. De man van Meryam sneuvelde. Zij zit nu met haar moeder en twee kinderen die ze in Syrië kreeg, vast in een opvangkamp. Houssein wil niets liever dan zijn dochter en kleinkinderen terugzien, ze meenemen naar Nederland.

Dat menselijke verhaal vormt het hart van De verloren kinderen van het Kalifaat, uitgezonden door BNNVARA, de omroep die samenwerkt met het Movies that Matter-festival. Documentairemaker Sinan Can (In het spoor van IS) reist met Houssein naar het nu door de Koerden gecontroleerde gebied.

Sinan Can over zijn documentaire: “Kinderen verdienen een tweede kans”

Er valt van alles over De verloren kinderen van het Kalifaat te zeggen – over de ogenschijnlijk alleen uit effectbejag opgenomen beelden van willekeurige huilende kinderen op straat in Raqqa bijvoorbeeld. Maar vooral laat de documentaire de macht én de onmacht van de camera zien.

Eerst de macht van de camera. Uiteindelijk krijgen Houssein en de filmmakers bij de Koerdische minister van Buitenlandse Zaken gedaan dat ze Meryam en haar kinderen buiten het kamp mogen ontmoeten. De minister wordt bedankt voor zijn menslievendheid, maar er speelt nog iets anders.

Waarschijnlijk stemmen de Koerden vooral in omdat er een camera bij is. Zij proberen Nederland (en andere landen) zo ver te krijgen dat zij de vrouwen en kinderen uit het kamp opnemen, maar Nederland geeft niet thuis. De beelden van een vader, zijn dochter en haar kinderen kunnen helpen om de druk te vergroten. Wij kijkers krijgen een mooie familiehereniging, maar hier wordt ook politiek bedreven.

Bij de ontmoeting zelf, in een klein kantoortje, regeert juist de onmacht. We zien vader en dochter die elkaar in de armen vallen, de twee kleindochters (de gezichten onherkenbaar gemaakt) die door Houssein worden gekust. „Ik ben jullie opa.” Meryam is gespannen, ze lijkt in haar hoofddoek te willen verdwijnen. Haar was niet verteld dat ze haar vader zou ontmoeten en misschien ook wel niet dat er een camera zou zijn. En zij is een gevangene, ze weet dat haar in Nederland een strafzaak zou wachten.

Houssein wil alles tegelijk van zijn dochter weten: „Ben je goed behandeld hier? Goed verzorgd? Verrast? Ben je blij? Hoe gaat het met je? Praat dan eens tegen mij! Je moet eerlijk zijn! Het komt goed. Je moet even volhouden. Wees eerlijk tegen mij, ik ben je vader. Probeer mij eens aan te kijken, lieverd. Was je gelukkig hier? Waarom ben je dan hier naartoe gekomen?” Wat hij zich niet lijkt te realiseren, is dat zijn dochter zich niet veilig voelt in dat kamertje. Hij wil dat zij hem aankijkt, maar recht achter hem staat de camera.

Hier toont zich de onmacht van de camera. De aanwezigheid van de filmcrew, onze aanwezigheid, zit het contact in de weg. Dat is ongemakkelijk, vooral omdat Meryam en haar kinderen na de ontmoeting gewoon terug naar het kamp moeten. Haar vader zegt dat alles goed komt. Wat kan een vader anders tegen zijn dochter zeggen?

Zo blijf je na De verloren kinderen van het Kalifaat achter met een dubbel gevoel. De Koerden hebben een politiek punt kunnen maken, wij kijkers hebben ontroerende beelden gezien, maar of de definitieve hereniging van Houssein en zijn familie dichterbij is gekomen, is volkomen onduidelijk.

    • Arjen Fortuin