Opinie

Progressieve partijen, verenigt u!

Praten over linkse samenwerking leverde nooit iets op. Nu moet het echt gebeuren, vindt .

Als de gemeenteraadsverkiezingen van vorige week een ding duidelijk hebben gemaakt is dat er nu echt iets moet gebeuren bij de progressieve partijen in Nederland. Natuurlijk, we horen reacties als ‘the only way is up’. Er worden ‘nieuwe stippen op de horizon gezet’. Maar ik vrees dat het blinde vlekken zijn.

Er moet echt iets anders veranderen in progressief Nederland. En dan kunnen we leren van de fouten uit het verleden. Als parlementair journalist bij het NOS-journaal was ik bij het tot stand komen van het kabinet-Den Uyl. Daar werkten in de jaren zeventig PvdA, D66 en PPR [een van de voorlopers van GroenLinks] samen in een kabinet. Dat verliep zo goed dat er concrete plannen waren voor de oprichting van een Progressieve Volkspartij (PVP). Waarom is die er nooit gekomen?

Door de jaren heb ik de vraag voorgelegd aan de leiders van de afzonderlijke partijen. Elke keer hoorde ik hetzelfde antwoord: als wij er goed voorstaan, hebben we het niet nodig. Precies de reden waarom het congres van de PvdA het voorstel voor de PVP in september 1973 tot onthutsing van velen afschoot.

Als directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst in de jaren negentig reisde ik veel met premier Wim Kok en minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo de wereld over. Toen heb ik het ook eens aan Van Mierlo gevraagd. Zijn antwoord was niet anders: als wij er goed voorstaan hoeft het voor ons niet. Armen delen liever met de rijken dan andersom.

Begin 2017 was de stemming onder alle progressieve partijen niet anders. GroenLinks voelde niets voor samenwerking in de verwachting op 15 maart een grote slag te slaan, zoals Macron in Frankrijk. Het is allemaal niet gelukt.

We kunnen in dat opzicht veel leren van het CDA – maar dan vooral hoe het niet moet. Als eerstejaarsstudent politicologie maakte ik de Tweede Kamerverkiezingen mee van 1967. De drie confessionele partijen KVP, ARP en CHU verloren toen samen zeven zetels (van 76 naar 69). Toen gingen daar de alarmbellen af. Er moest worden samengewerkt! Er werden werkgroepen in het leven geroepen, die vooral spraken over de vraag welke invloed het Evangelie moest hebben op het regeringsbeleid en over de cultuurverschillen (de KVP te rooms, de ARP te links en de baronnen en freules van de CHU te conservatief). En zo duurde het dertien(!) jaar voordat het CDA tot stand kwam. Als student las ik over de eerste besprekingen maar toen in 1980 het oprichtingscongres plaatsvond was ik al lang parlementair redacteur van het NOS-journaal. Hoe moet het wel?

Niet praten maar doen

Eerste les uit de geschiedenis: niet praten over samenwerking, maar doen. Ze moet niet worden opgelegd, maar moet van onderop groeien.

Na de verkiezingen van vorige week moet een nieuwe poging worden gedaan. Het is tijd voor de progressieve partijen om rond de tafel gaan – niet alleen met partijen, maar ook met progressieve groeperingen, maatschappelijke organisaties en actiegroepen binnen de gemeenten. Maak samen plannen, dien gezamenlijk moties in, kom met één spreker bij gemeenteraadsvergaderingen. Streef niet naar fusie van partijen. Laat de verenigingen vooral blijven bestaan.

Politieke partijen worden steeds kleiner. Deze beweging kan nieuw elan geven aan progressieve politiek. Als progressieven goed samenwerken – niet alleen met elkaar, maar ook in nieuwe verbanden tussen progressieve politieke partijen en maatschappelijke organisaties – dan kunnen we dat probleem oplossen. Die nieuwe verbanden bieden aantrekkingskracht voor burgers om weer mee te doen en kunnen de kweekvijver worden van onze vertegenwoordigers in gemeenten, provincies en de Tweede Kamer.

Die samenwerking kan een uitstraling hebben op de verkiezingen van de Provinciale Staten in 2019. Dan moeten de progressieve krachten zo samenwerken dat zij met een lijst uitkomen. Progressief Groningen, Gelderland etc. De aantrekkingskracht van die provinciale samenwerking moet dan zijn uitstraling hebben op de Tweede Kamerverkiezingen van 2021. We noemen het dan niet de PVP maar gewoon: Progressief Nederland. Er moet echt iets zichtbaars gebeuren. Geen commissies en rapporten. Niet praten maar doen.

Burgers worden gek van managers

Wat moet het hoofdthema worden van die beweging? Uiteraard de burger. Maar wat wil die burger? Hij zou meer te zeggen willen hebben. Dat lijkt mij juist. De burger voelt zich vervreemd. Maar van wie? Wil de burger meepraten in een referendum over het Oekraïneverdrag of de sleepwet? Ik geloof er niets van. De burger wil meepraten over de manier waarop hij werkt. Invloed op zijn woonomgeving. Praat met mensen in de zorg, het onderwijs of het openbaar vervoer: ze worden gek van de managers die met marktdenken de sfeer in onze samenleving verpesten.

Overheden zijn geen bedrijven en arbeid is geen product. Daar zit de kloof: tussen managers en professionals. Hetzelfde geldt voor de woonomgeving. De wensen van burgers worden genegeerd door de managers van de gemeenten. Dát is de kloof die moet worden gedicht. Daar ligt een taak voor de progressieve krachten in de gemeenten. Kijk naar de concrete dagelijkse zorgen van de burgers: de speelplaats voor kinderen, het onverlichte fietspad. Zo’n proces heeft geen dertien jaar nodig, maar wel een paar. In 2021 moeten we toch een heel eind kunnen zijn.