Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Kinderverjaardag

De jongste dochter werd 1, ze had nu al meer vrienden dan ik. Veel meer vrienden dan we verwacht hadden ook. Wij kwamen nooit op kinderverjaardagen en hadden er een beetje op gerekend dat we met gelijke munt terug zouden worden betaald, maar dat was niet zo. Er kwamen zelfs mensen uit het dorp, de door ons zelf gebakken appeltaart viel van schrik uit elkaar. Op de grond krioelden vijf of zes kinderen over en door de jarige heen.

Ik probeerde wanhopig te communiceren met de volwassenen, wat niet ging omdat ze allemaal wel een kind hadden waar ze op moesten focussen. Alleen met mijn moeder had ik contact. Ze had de jarige een pratend paasei gegeven dat je kon verstoppen en dat dan uit zichzelf ‘ik ben verstopt hoor’ zou roepen, maar het cadeau zweeg nadat ze het had verstopt en dat lag niet aan haar gehoorapparaat.

Ik werd aangeroepen, de oudste werd in mijn richting geduwd. „Ruik jij effe of ze een volle luier heeft.”

Dat aan elkaars gat ruiken in gezelschap vind ik nog steeds moeilijk, maar om me heen keken ze er niet van op dat ik haar tot boven mijn gezicht tilde en nadrukkelijk snoof.

„En?” Ik: „Ja, ik denk wel dat er iets in zit.”

Met een tegenstribbelend kind naar boven, achtervolgd door twee kinderen waarvan ik de namen niet wist en waarvan ik hoopte dat ze niet achterwaarts de trap af zouden vallen. Op het verschoningskussen bleek dat er niet gepoept was.

Groot onrecht, dikke tranen.

Weer beneden genoot ik van de oudste die al de cadeaus uit de handen van haar zusje griste. Ik zag onder andere een plastic piano waaruit dierengeluiden kwamen, een auto met zwaailicht en geluidendoos voorbijkomen, daar gingen we nog veel plezier aan beleven.

Daarna het gevecht om aandacht.

Nadat de eerste gewonde was gevallen – hoofdje tegen een tafelrand – viel de oudste om de zoveel tijd om, waarna ze getroost moest worden. Ik was goed in troosten.

Zo goed, dat ze allemaal door mij getroost moesten worden, want ze begonnen allemaal om te vallen. Het grapje dat ik alleen mijn eigen kinderen troostte werd niet door iedereen begrepen.

Ik roerde door de koffie.

Ik leerde: als je even niets weet te zeggen doet de opmerking dat je nog steeds gestopt met roken het altijd goed.

Moe, maar tevreden in bed, dachten we kort dat er indringers in huis waren. Ik werd erop uitgestuurd. Op de gang lag een plastic paasei dat de hele dag had gezwegen maar nu niet meer kon stoppen met zeggen dat het gevonden wilde worden.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen