Gelijkwaardige coureurs botsen vaker

Sociologie Conflicten lopen eerder uit de hand als gelijkwaardige personen tegenover elkaar staan. Op de autoracebaan is dat goed te zien.

Max Verstappen (rechts) botst met ploeggenoot Daniel Ricciardo tijdens een inhaalmanoeuvre op het Formule-1-circuit van Hongarije in 2017. Foto ANP

Hoe meer Formule-1-coureurs aan elkaar gewaagd zijn, hoe vaker ze met elkaar in botsing komen op het race-circuit. De allerbeste coureurs botsen veel vaker met elkaar dan minder goede coureurs. En de kans op botsingen is het grootst als de rivalen ongeveer even oud zijn.

Dit blijkt uit een artikel, dat maandag is gepubliceerd in het tijdschrift PNAS. De auteurs, een internationale groep sociologen, onderzochten alle Formule-1-races in de periode 1970-2014. Ze keken niet naar massale botspartijen, maar alleen naar een-op-een-botsingen.

Die laatste botsingen, tussen twee rivaliserende coureurs, worden in de publiciteit altijd breed uitgemeten. Vermaard is bijvoorbeeld de botsing tussen Lewis Hamilton en Nico Rosberg, teamgenoten die destijds (in 2014) moesten uitmaken wie wereldkampioen zou worden. „Of dichter bij huis [voor Nederlandse lezers], de botsing tussen Max Verstappen en zijn teamgenoot Daniel Ricciardo op het circuit van Hongarije in 2017”, zegt Henning Piezunka, onderzoeker bij het Franse Insead.

Deze botsingen leren ons ook veel over conflicten in de samenleving, denken de onderzoekers. Hun hypothese is dat conflicten sneller ontstaan en sneller uit de hand lopen als twee gelijkwaardige personen tegenover elkaar staan. Bijvoorbeeld de twee directeuren van twee bedrijven die zijn gefuseerd, of twee even sterke jonge mannen in een straatbende. „Of twee doctoraal-studenten, die dezelfde plek in de hiërarchie hebben”, zegt Piezunka. „Die twee kunnen gaan concurreren en die wedijver kan escaleren tot een conflict.”

In autosport is dat mechanisme goed zichtbaar, menen de onderzoekers, omdat een een-op-een-botsing „een waarneembaar spoor van conflict” is. Om te bepalen hoe groot de kans op zo’n botsing is, keken de onderzoekers hoe vaak de 355 deelnemende coureurs elkaar in de 732 races tegenkwamen. Vervolgens keken ze naar de verschillen in onder meer startposities en wedstrijdpunten.

Daaruit blijkt dat botsingen het vaakst voorkomen bij coureurs die nagenoeg even goed zijn. Dat is vooral het geval aan de top, waardoor wereldkampioenen als Alain Prost en Nigel Mansell zich ook botskampioenen betoonden. In de middenmoot en het achterveld zijn de kwaliteitsverschillen veel groter en botsen coureurs veel minder vaak. Net zoals in de gewone samenleving conflicten tussen bazen en ondergeschikten minder vaak voorkomen dan tussen mensen met een gelijkwaardige positie.

De kans op botsingen is groter naarmate de leeftijden van de kemphanen dichterbij elkaar liggen. Dat komt, zo schrijven de onderzoekers, doordat mensen in het algemeen hun eigen status vergelijken met de status van (bijna)leeftijdgenoten. De kans op botsingen is juist weer kleiner als het regent, zo blijkt. Piezunka zegt: ,„Als het regent ben je bezig met veilig thuiskomen. Pas als je je veilig voelt, dan ga je vechten voor je status.”

Dan is de inzet vaak hoog, zoals bij Fernando Alonso die niet alleen wereldkampioen wilde worden, maar ook de legendarische Michael Schumacher wilde verslaan. En dan is de strijdlust groot. Zo zei wereldkampioen Damon Hill ooit: „Als ik geduwd word, dan duw ik terug.”

    • Karel Berkhout