De vuurtorenwachter

De stad uit (13)

Veel Amsterdammers denken er stiekem weleens over na: de stad uit, weg van de drukte. Journalist en radiomaker Petra Possel (54) deed het. Na 30 jaar Amsterdam verhuisde ze naar een klein dorpje in Friesland. In NRC brengt ze regelmatig verslag uit.

Bij mij in de buurt woont een vuurtorenwachter, in een huisje bij de vuurtoren, zeven kilometer verderop aan de dijk tussen Workum en Hindeloopen. Het is een wit, vierkant gebouw van drie verdiepingen uit 1643. Eeuwenlang werd de scheepvaart vanuit die toren met lichtsignalen gewaarschuwd. Eerst met open vuur, later met een olielantaarn, daarna met gaslicht en nog later met elektrische lampen op zonnecellen. Nu is de vuurtoren buiten dienst, de Zuiderzee werd IJsselmeer.

De vuurtorenwachter heeft een verweerd gezicht, een lange baard, een gebreide muts en een pijp in de mond. Hij is voorbij de tachtig, maar nog steeds zelfvoorzienend. Samen met zijn vrouw verbouwt hij groenten, hij vist, hij jaagt, hij wekt zijn eigen energie op. De vuurtorenwachter is alles wat de moderne mens niet is. Ooit was hij architect, hij verdiende goed en had niks te klagen, maar hij gooide het roer om. Zijn wereld van luxe, een leven van louter asfalt en verspilling, begon hem steeds meer tegen te staan.

In het diepste van mijn wezen zou ik de vuurtorenwachter willen zijn.

Ik heb al een beetje het roer omgegooid door naar Friesland te verhuizen, maar ben te slap om mijn laptop de deur uit te doen, te lui om aardappels te verbouwen en te verwend om in de kou te zitten.

Ik ben kortom in alles de moderne mens.

Altijd één muisklik verwijderd van mijn volgende bestemming.

Zonder precies te weten waar hij woont, ging ik op zoek naar de vuurtorenwachter.

Ik had geen adres of GPS of mobiel nummer en tuurde de dijk af of ik een vierkant, wit gebouw zag. Om mijn zicht te vergroten, klom ik de dijk op. Rechts lag Workum, links lag Hindeloopen, ik zag geen vuurtoren. Ik reed met mijn auto, heel milieu-onvriendelijk dus, kleine weggetjes tussen de weilanden af om te kijken of zich tussen de hoge bomen een witte vuurtoren schuil hield. En opeens had ik beet.

Langzaam reed ik het pad af. Eerst asfalt, toen zand, ik zag de vuurtorenwachter op het erf scharrelen, hij had een gebreide muts op.

Nog even en ik kon hem aanraken, hij had mij nog niet opgemerkt.

Net toen ik dacht de moed te hebben verzameld om hem aan te spreken, draaide ik om en keerde ik op mijn schreden terug.

Lafbek eerste klas.

Angst om als luxedier door het ijs te zakken.

Halfbakken plattelander die ik ben. Verwend nest.

Ik was nog niet toe aan de vuurtorenwachter.