De illusies van de hulpindustrie

Hulporganisaties

Hulporganisaties hebben macht in de landen waar ze werken en ze zijn moeilijk te controleren. Afrika-correspondent Bram Vermeulen over de menselijkheid van de hulpindustrie.

Als ngo’s een land waren, zouden ze de vijfde economie ter wereld zijn Foto Getty Images/Paula Bronstein

Bij hotel Bella Casa in Monrovia ligt een prachtig strand. De Atlantische Oceaan beukt er op het zand vol palmbomen. Er staan plastic stoelen en tafels waar de rijken van de stad na een lange dag kunnen bieren. Het strand zit iedere avond vol witte mannen.

Ik zat er afgelopen september ook, met een collega. Vlak na zonsondergang verschenen de eerste vrouwen op het strand. Hun hoge hakken zakten diep in het zand. Geduldig wachtten ze tot het restaurant wat leger werd en er alleen eenzame mannen aan de tafels overbleven. Een schoof aan bij een lange witte man bij een tafel voor ons, die we even later aan haar arm zagen vertrekken.

De volgende dag liep ik hem weer tegen het lijf, op het hoofdkantoor van de oud-voetballer George Weah, inmiddels president van Liberia. Hij was er met een delegatie van een grote ambassade in Monrovia. Een verkiezingswaarnemer die in Liberia kwam controleren of verkiezingen wel volgens westerse normen en waarden verliepen. Even kruisten onze blikken elkaar. Hij keek geschrokken weg.

Ik moest in de afgelopen weken vaak aan hem denken terwijl het debat over seksschandalen bij hulporganisaties losbarstte.

Wie ver van huis reist, waant zich in een ander universum. Hij laat alles achter, en voelt zich bevrijd van het korset van sociale controle en de normen en waarden van thuis. Harry Mulisch schrijft erover in De Ontdekking van de Hemel, als Max zijn vriend Onno in het water voor de kust van Cuba bedriegt met Ada. „Max… dit kan toch niet… Als Onno…” Op die paradijselijke plek herinnert Max zich de woorden van de Cubaanse ambassadeur: „Wat op tienduizend kilometer afstand gebeurt, is niet gebeurd.”

Monrovia was de stad waar de uitspattingen van de Belg Roland van Hauwermeiren van Oxfam het eerst aan het licht kwamen. Liberia is een land dat al decennia aan het infuus ligt van hulporganisaties. Twee burgeroorlogen, een ebola-uitbraak: een hulp-walhalla. In 2004, een jaar na het einde van de tweede burgeroorlog, werd Van Hauwermeiren naar huis gestuurd na het organiseren van seksfeesten waar mogelijk minderjarige meisjes aanwezig waren. Later duikt hij op in Tsjaad en in Haïti.

Na een onderzoek worden Van Hauwermeiren en drie anderen gedwongen ontslag te nemen. Maar de autoriteiten van Haïti werden niet gewaarschuwd. Toen de omvang van de schandalen in eigen land in de pers kwam, deed Oxfam wat politieke partijen of grote bedrijven in zo’n geval ook doen: imagoschade beperken. De vice-president van Oxfam bood zich aan als offerlam en trad af.

De voormalig directeur van AzG in het Verenigde Koninkrijk, Marc DuBois, ziet een probleem met het ‘rotte-appel’-narratief van Oxfam. „Dat we de rotte appels weghalen is op zich prima, maar we moeten nog steeds iets aan de boom doen.” Na vijftien jaar lang te hebben gewerkt als hulpverlener, schrijft DuBois een kritische blog over de hulpindustrie. „Het hulpsysteem is synoniem aan een ongelijke machtsverhouding. Macht corrumpeert”, schrijft hij.

Meer dan een miljard

Wie die machtsverhoudingen wil begrijpen hoeft alleen maar het jaarverslag van Oxfam te lezen. Ieder jaar haalt Oxfam meer dan een miljard euro op aan giften. Dat is twee keer zoveel als het hele bruto nationaal product van Liberia in de tijd dat Roeland van Hauwermeiren er nog werkte. Met hun zwaar bewaakte compounds, hun terreinauto’s en eigen vliegtuigen, zijn hulporganisaties onderdeel van de elite in de landen die ze bedienen. In ieder land waar ik ze tegenkom, hangt de lokale bevolking rond hun poorten, mannen én vrouwen.

Toch is er wel wat veranderd, zegt een ervaren hulpverlener die anoniem wil blijven. „Vijftien jaar geleden zwermden prostituees rondom de compounds in crisisgebieden. Hulporganisaties als Save the Children hebben die excessen zelf onderzocht. Intussen houden we ons aan codes die voorschrijven: geen omgang met prostituees. Maar dan zijn er hulpverleners die relaties krijgen met lokale vrouwen of mannen. Zit daar ook geen machtsongelijkheid in?”

Als nonprofit-organisaties een land waren, zouden ze de vijfde grootste economie ter wereld zijn volgens een onderzoek van de John Hopkins Universiteit in 2002. Die economie die toen al 1,6 miljard dollar waard was, is afhankelijk van collectes, giften en overheidssteun. Hun grootste kapitaal: imago. Maar ze laten zich maar moeilijk controleren. Hulporganisaties bepalen goeddeels de nieuwsstroom uit de landen waar ze hulp bieden en de bril waardoor (westerse) journalisten naar Afrika kijken.

Hulporganisaties spraken vorig jaar over hongersnood in Oost-Afrika, Nigeria en Jemen, die „20 miljoen mensenlevens” bedreigde. Welke journalist durft zulke aantallen tegen te spreken? Op de inzameldag van Giro 555 kreeg ik Gijs Staverman van Radio 2 aan de telefoon, die met een luide beat onder zijn stem vroeg: „Mensen moeten nu gaan geven, toch Bram?” Ik ben daarna nooit meer gebeld met de vraag hoe het die 20 miljoen mensen nu vergaat.

Afhankelijke journalisten

Journalisten hebben net zo’n lastige verhouding met hulporganisaties als parlementaire verslaggevers met politici of sportjournalisten met voetballers. We zijn afhankelijk van hun gastvrijheid. Een land als Zuid-Soedan kun je vrijwel alleen bereizen op uitnodiging van een hulporganisatie. Toen ik vorig jaar op uitnodiging van een partnerorganisatie van Stichting Vluchteling ging kijken in een regio die volgens hulpverleners was getroffen door hongersnood, stond ik voor een dilemma. We konden de hongersnood niet vinden. Het ziekenhuis dat mede was gefinancierd door Stichting Vluchteling, stond nagenoeg leeg. Toen we onze bevindingen publiceerden, hing de woordvoerder de volgende dag furieus aan de telefoon.

Iedere discussie over de hulpindustrie loopt vast in: maar wij redden mensenlevens. „Wat moeten we dan? Niets doen?” Dat verhaal maakt van mensen in oorlog of andere crises hulpeloze slachtoffers. Die koloniale vertelling stuit in Afrikaanse landen op steeds meer weerzin. „Die hulp neemt mij als kiezer de macht uit handen om mijn regering te straffen voor het wanbeleid dat door hulporganisaties wordt opgelost”, vindt de Mozambikaanse journalist Erik Charras. „Hulp is een slaapmiddel.”

Dat geldt ook voor de gulle gevers, die dachten met een paar euro’s de problemen aan de andere kant van de wereld van hun beeldscherm te krijgen. Zoals columniste Afua Hirsch schrijft in The Guardian: „De belangstelling voor deze organisaties wordt vooral gedreven door het feit dat ze miljoenen van Britse belastingbetalers ontvingen. Dat is wat hier in het centrum van belangstelling staat, niet het welzijn van de slachtoffers zelf.”

Het werkelijke probleem van hulp begint bij de illusie dat met inzamelingen door het Glazen Huis of Giro 555 een übermensch op pad gestuurd wordt om het evenwicht in de wereld te herstellen, een mens die je in je eigen universum nog nooit gezien hebt, niet geplaagd door lust, hebzucht, narcisme en al die andere kwalen die onder andere mensen zo gewoon zijn.

    • Bram Vermeulen