Voedingswetenschap weer relevant maken, maar hoe?

Wat eten we? Voedseldeskundigen zijn nogal vaak doelwit van spot (daar hebben ze het ook zelf wel een beetje naar gemaakt).

Voedingsonderzoekers zijn een makkelijk doelwit voor iedereen die iets van voedsel vindt of er veel van wil verkopen. Die eet-onderzoekers hebben het er ook wel naar gemaakt. Twee voorbeelden worden steeds weer opgerakeld. Begin jaren 70 mochten we van de voedseldeskundigen opeens geen eieren meer eten, want er zat een gevaarlijke hoeveelheid cholesterol in. En kijk 50 jaar later eens! Ha, ha, ha. Cholesterol dat in de voeding zit heeft bijna geen invloed op het uiteindelijke cholesterolgehalte in ons bloed. Eet gerust iedere dag een ei, adviseert de Britse overheid. Het Nederlandse Voedingscentrum beperkt ons nog op 2 à 3 per week. En 4 voor vegetariërs. Er zit nog al wat verzadigd vet in ei, waarschuwt het Voedingscentrum.

Tweede voorbeeld: begin jaren 90 begon de let-op-vet-campagne. We moesten minder vet eten. Dus daar gingen we. Mensen vervingen vet door koolhydraten – dus door zetmeel en suiker. Achteraf gezien onverstandig. Onverzadigd vet mag weer en suiker zit in het verdoemhoekje.

Lees ook: We eten te veel suiker, en dat is niet alleen maar onze eigen schuld

Deze voorbeelden zijn overal op de vreemdste voedingssites op internet te vinden, maar ze raken langzamerhand afgezaagd. Er is iets belangrijkers.

De voedingswetenschap werd in de jaren 30 van de vorige eeuw beroemd met ontdekkingen van stofjes die bij een tekort ernstige ziekte veroorzaken: vitamine C, A, D, B1 en B3 bijvoorbeeld. Later ging het om de gezondheid van eetgewoonten, zoals het mediterrane dieet. Maar toen mensen steeds dikker werden zagen de voedingsonderzoekers dat gezond en ongezond steeds meer te maken heeft met te veel. Te veel stilzitten, autorijden, te veel makkelijk verkrijgbaar gemaksvoedsel dat bovendien spotgoedkoop is. Voedingswetenschappers moesten dus niet alleen kennis hebben van biologie, fysiologie en statistiek, maar ook van sociologie, ruimtelijke ordening, architectuur en politiek.

Hoe wordt voeding weer een wetenschap? Onder die titel schreef emeritus-voedingshoogleraar Martijn Katan er begin februari over in zijn column voor NRC. En half maart vroegen twee van Katans collega’s, Dariush Mozaffarian (Boston) en Nita Forouhi (Cambridge), zich in het medisch-wetenschappelijke tijdschrift The BMJ af of de voedingswetenschap nog wel op zijn taken berekend is. Zij (van WC-eend) vinden natuurlijk dat de voedingswetenschap iets kan betekenen. Katan heeft een andere oplossing dan Mozaffarian en Forouhi. Katan wil terug naar de stofjes. Hij vindt het maar niks dat zijn opvolgers niet meer willen begrijpen waarom het mediterrane dieet gezond is.

Mozaffarian en Forouhi schrijven: „De voedingswetenschap focust niet langer op geïsoleerde voedingsstofjes, niet meer op gebreksziekten, niet op calorietellen, niet op surrogaatuitkomsten. Zij richt zich op voeding, chronische ziekten, dieetkwaliteit, complexe biologische mechanismen en reactiepaden.” Dat laatste betekent dat voedingsonderzoekers eindelijk precies willen begrijpen hoe mensen precies honger krijgen en verzadigd raken.

Ja, voedinsgwetenschappers, dat zouden wij ook wel willen weten. En de farmaceutische industrie ook, want die zoekt fanatiek naar een kaskrakend medicijn tegen dik zijn.

Lees ook: Minder suiker in producten kan best (het schiet alleen niet op)
    • Wim Köhler