Zijn de daders soms getipt?

Opsporing NSU

Het extreemrechtse milieu in Duitsland werd uitgebreid geïnfiltreerd, toch kon de NSU zijn gang gaan. Hoe dat kan is nog altijd niet opgehelderd.

De Liegnitzer Straße in Neurenberg waar bloemenhandelaar Enver Simsek werd vermoord. De foto’s maakten deel uit van Regina Schmekens tentoonstellingsproject ‘Bloody Soil – NSU Crime Scenes / Blutiger Boden – Tatorte des NSU’. Foto Regina Schmeken.

Dat de Duitse staat jarenlang schromelijk tekort is geschoten bij het oplossen van de NSU-moorden staat buiten kijf. Maar waaraan was dat te wijten? Lag het aan ingebakken racisme bij politie en justitie, dat ze steeds in de verkeerde richting zochten bij de reeks moorden die tussen 2000 en 2006 werden gepleegd op mensen met een buitenlandse (vooral Turkse) afkomst? Was men naïef over het gevaar dat uitging van racistische, extreemrechtse groepen? Was Duitsland, zoals wel wordt gezegd, aan het rechteroog blind?

Veel wijst erop dat dit wel heeft meegespeeld, maar niet het hele verhaal was. Duitse inlichtingendiensten waren er sinds de jaren negentig namelijk op gebrand het sterk groeiende extreemrechtse milieu scherp in de gaten te houden. Daar zette men zwaar op in – misschien té zwaar.

Na de val van de Muur (in 1989) en de Duitse hereniging (in 1990), werd al snel duidelijk dat Duitsland een groot probleem had met gewelddadige skinheads, neonazi’s en andere rechtsradicalen. Zij stichtten brand in asielzoekerscentra, in gewone huizen waar mensen van buitenlandse komaf woonden en ze sloegen mensen met een donkere huidskleur in elkaar. Er vielen tientallen doden bij, 34 alleen al in de eerste drie jaar na de val van de Muur.

De binnenlandse veiligheidsdienst besloot daarop het extreemrechtse milieu systematisch te gaan infiltreren. Informanten, die met één en vaak zelfs twee benen in die kringen stonden, moesten de staat op de hoogte houden van wat er daar gebeurde. Ook in de omgeving van de drie neonazi’s die de NSU vormden waren steeds informanten actief.

En toch konden de drie dertien jaar lang onderduiken, terwijl er arrestatiebevelen tegen hen liepen. Ze konden tien moorden, twee bomaanslagen en vijftien overvallen plegen zonder dat ze werden gepakt. Pas toen ze zichzelf in 2011 ontmaskerden kwam het bestaan van de terreurgroep aan het licht.

Het pand in Kassel waar Halit Yozgat door het hoofd werd geschoten. Foto Regina Schmeken

Lees ook het interview met Kerim Simsek, wiens vader het eerste dodelijke slachtoffer van de NSU was

Versnipperaars

Het werken met informanten brengt risico’s met zich mee. Schurkt de staat niet te veel aan tegen een misdadig milieu als de informant wordt betaald, wordt beschermd tegen strafvervolging of garanties krijgt dat zijn identiteit in geen geval zal worden prijs gegeven? Lopen inlichtingendiensten niet het gevaar dat ze via hun stiekeme medewerkers de militante groepen die de staat onschadelijk wil maken juist een handje helpen?

De verdenking dat dit laatste in de NSU-affaire gebeurde, is bewezen noch ontzenuwd. Dat komt niet omdat nagelaten is de zaak te onderzoeken. In de Bondsdag hebben de afgelopen jaren twee speciale commissies zich uitgebreid in de kwestie verdiept, en maar liefst zeven deelstaatparlementen hebben hun eigen, veelal jaren lopende onderzoeken ingesteld (iedere Duitse deelstaat heeft zijn eigen inlichtingendienst, wat het niet makkelijker maakt te achterhalen wat er precies gebeurd is).

Zeker is dat er bij de inlichtingendiensten meteen een groot aantal dossiers over informanten is vernietigd, zodra in november 2011 bekend werd dat de neonazi’s Uwe Mundlos, Uwe Böhnhardt en Beate Zschäpe achter de moorden zaten. De maanden daarop werden nóg honderden stukken vernietigd, waaronder weergaves van afgeluisterde telefoongesprekken van skinheads die bekenden waren van Mundlos en Böhnhardt. Ook toen er al parlementaire onderzoekscommissies waren ingesteld bleven de versnipperaars draaien, schrijven Stefan Aust en Dirk Laabs in hun boek Heimatschutz; Der Staat und die Mordserie des NSU, een grondige reconstructie van de moorden en het optreden van de overheid.

Vijf hoge functionarissen traden in verband met de vernietiging van de dossiers af, onder wie de man die twaalf jaar de binnenlandse veiligheidsdienst van de Bondsrepubliek had geleid. Maar wat er precies vernietigd is en waarom blijft onduidelijk.

Uitgangspunt van de inlichtingendiensten was al in de jaren negentig dat ze in extreemrechtse kringen alleen bruikbare informanten konden rekruteren, als ze beloofden hun identiteit altijd geheim te houden, zelfs na hun dood. „Alleen zo kan het systeem functioneren, geloofden zij”, schrijven Aust en Laabs.

Of de dossiers inderdaad om die reden zijn vernietigd is niet zeker. Maar ze hadden mogelijk licht kunnen werpen op belangrijke vragen die nog onbeantwoord zijn. Opereerden Mundlos, Böhnhardt en Zschäpe bij hun terreurdaden min of meer geïsoleerd, zoals de aanklager gelooft, met af en toe enige hulp van de vier mannen die nu samen met Zschäpe terecht staan? Of was de terreurbeweging groter, en bestond de NSU uit de zeker vijftien vrienden die in Thüringen en Saksen na de val van de Muur jarenlang samen optrokken en samen radicaliseerden? En hoe kon het trio onderduiken toen het in 1998 werd gezocht op verdenking van de voorbereiding van aanslagen? Waren ze misschien getipt, door een informant van de veiligheidsdienst?

De Keupstraße in Keulen waar een spijkerbom ontplofte (22 gewonden van wie vier ernstig). Foto Regina Schmeken

En wat verklaart dat een medewerker van de binnenlandse veiligheidsdienst van Hessen, die contacten onderhield in de wereld van extreemrechts, ‘toevallig’ ter plekke was bij de één-na-laatste NSU-moord – wat hij niet meldde, maar pas toegaf toen de politie hem op het spoor kwam?

Waren de inlichtingendiensten misschien zó goed geslaagd in hun missie om extreemrechts te infiltreren, dat ze die contacten te waardevol vonden om op te geven? En gaven ze cruciale informatie daarom niet door aan politie en justitie? Een van de grootste schandalen in het naoorlogse Duitsland is nog altijd maar ten dele opgehelderd.