Tientallen motieven om niet te stemmen

Opkomst De niet-stemmer vormt steevast een grote groep bij raadsverkiezingen, al was de opkomst met 55 procent deze keer iets hoger dan vier jaar geleden.

Een vijftiger, hoogopgeleid en welgesteld, woonachtig in een kleine gemeente, kerkganger, vrijwilliger én werkzaam in de publieke sector, die zal het meest geneigd zijn te stemmen. Zeker als het stembureau in de buurt is, de zon schijnt en de verkiezing in het weekend is.

Maar dan nóg. Deze vijftiger kan zijn stempas verloren hebben, ziek zijn, te druk, depressief. Hij of zij kan afzien van stemmen omdat hij twijfelt wát te stemmen, omdat hij cynisch is over de politiek of juist zó positief dat hij vindt dat zijn stem er niet meer toe doet.

De niet-stemmers bij de gemeenteraadsverkiezingen vormen een veelkleurig portret. Toen Julien van Ostaaijen, bestuurskundige van Tilburg University, op zoek ging naar de motieven vond hij er 46. „En dat zijn ze lang niet allemaal.”

Al die motieven kunnen tegelijkertijd een rol spelen en ook invloed hebben op elkáár. Welke de overhand heeft, is moeilijk te zeggen – naar de niet-stemmer is weinig onderzoek gedaan.

Enkele verklaringen liggen voor de hand. De afschaffing van de opkomstplicht in 1970. Liever bewuste kiezers dan gedwongen onverschilligen, was het argument destijds. De opkomst bij de lokale verkiezingen daalde in één klap van 93,4 naar 67,2 procent. Ook de ontzuiling, moeilijker meetbaar, zal de sociale druk om te stemmen hebben verminderd. Daarnaast spelen de vele gemeentelijke fusies een significante rol. Inwoners van een grotere gemeente zijn minder geneigd te stemmen, blijkt uit onderzoek van het Centraal Planbureau. De gevoelde noodzaak neemt af, „er zijn immers genoeg anderen die gaan”.

Sinds 1970 is de opkomst – met uitschieters omhoog en omlaag – gestaag gedaald tot 55 procent. Sommigen leggen de daling uit als probleem, als het gevolg van toenemend wantrouwen, cynisme, een kloof tussen burger en politiek. Anderen houden het liever op „gebrek aan maatschappelijke strijdpunten”, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau eens schreef. Afnemende burgerzin versus tevreden burgerschap. Kies zelf maar.

Is het opkomstpercentage een thermometer van de samenleving? „Jazeker”, zegt Van Ostaaijen. „Maar wat die meet, is moeilijk te zeggen.”

    • Freek Schravesande