Is jaloezie ook ergens goed voor?

Essay Wie is toch die ander die mij dwarszit in schaamte, gepieker en zelfverwijt, vraagt Coen Simon zich af.

Illustratie Istock, bewerking NRC

Al ben ik jaloers aangelegd, ik zag het niet als een bedreiging toen een van mijn beste studievrienden vroeg of mijn vriendin, die kunstacademie deed, hem eens wilde portretteren. Het was begin jaren negentig en mijn eerste serieuze liefde, Céline, woonde in hetzelfde studentenhuis als ik in Utrecht. Ik studeerde filosofie in Amsterdam, waar ik Thomas had leren kennen, een klassiek knappe jongen die zich gedroeg als een negentiende-eeuwse dandy en koketteerde met ijdelheid. Céline had een hekel aan ego’s, was verlegen, maar kon verschrikkelijk goed portretten schilderen.

En Thomas wilde dus zo’n portret. Door de ogenschijnlijk grote kloof tussen hun persoonlijkheden werd mijn jaloezie geen moment gewekt. Enthousiast arrangeerde ik een ontmoeting. Na het eten bij mij gingen zij naar haar kamer, een verdieping hoger. Ik bleef beneden. Toen ik koffie bracht was Céline in een giechelige stemming en er stond nog nauwelijks iets op papier. „Het feit dat elke menselijke handeling en uitspraak voor verschillende uitleg vatbaar is wat betreft bedoeling en gezindheid, verschaft de jaloezie, die altijd maar één interpretatie toelaat, een gemakkelijk werktuig”, schreef de Duitse filosoof Georg Simmel (1858-1918) in zijn essay Jaloezie en afgunst. Terug in mijn kamer probeerde ik tevergeefs de letters in mijn boek tot me te laten doordringen.

In de weken die volgden stonden mijn zintuigen op scherp en daalde mijn eigenwaarde tot nul. Het was nog de tijd van de vaste telefoon en de papieren post, dus de afstand tussen de werelden van Amsterdam en Utrecht had me moeten geruststellen. Maar door de jaloezie vermoedde ik in iedere opmerking van Thomas een zinspeling op een heimelijke relatie tussen hem en mijn vriendin en voelde ik in elke beweging van Céline haar afwijzing.

„Jaloezie is een ervaring van afwijzing”, schrijft de Britse filosoof Roger Scruton in zijn vermaarde boek Sexual desire (1986). „Niet zomaar afwijzing door een ander, maar afwijzing door de wereld die je betrad door met die ander te zijn. Het slachtoffer van afwijzing ondergaat een bestaansverandering. Hij behoort niet langer tot de wereld waarin hij thuis was en komt terecht in een nachtmerrie, ten prooi gevallen aan afschuwelijke gedachten en fantasieën waar hij zich niet van kan losmaken.”

Al met al duurde mijn nachtmerrie maar een week of twee. Na de eerste week hield ik het laatste beetje eer aan mezelf door het tegen mijn zin in uit te maken met Céline. „Je wilt me niet meer, waarom zou ik jou dan nog willen.” De tweede week, toen bleek dat mijn jaloerse perceptie toch wel wat overeenkwam met de realiteit – ze hadden inmiddels afgesproken – verdween ook dat laatste beetje eigenwaarde. Ik was ten einde raad, overwoog mijn studie in een andere stad te vervolgen, maar wilde het liefst alles opgeven.

Lees ook het essay van Annemiek Leclaire: Hoe weet je wanneer de liefde op is?

Dat was toen. En het zou niet best zijn als ik me er nu nog even waardeloos over voelde. De misère heeft gelukkig nooit chronisch kunnen worden, want ik bedacht na die twee dramatische weken dat grote liefdes zo kunnen beginnen. Met die mantra in mijn achterhoofd gaf ik hen schoorvoetend mijn zegen. En zo keerde prompt mijn eigenwaarde terug. Ik bleek zelfs in staat met hen allebei vrienden te blijven, tot op de dag van vandaag.

Wat betekent dit zelfondermijnende gedrag nou?

Dat laatste maakt het des te interessanter stil te staan bij de betekenis van het zelfondermijnende gedrag van de jaloezie. Waarom moest ik mezelf zo naar beneden halen? Want dat is misschien nog wel het ingrijpendste van de jaloezie, niet de woede of de bezetenheid, maar het gepieker en de schaamte voor wie je bent of tenminste voor wie je denkt te zijn. Ik was aan het begin van mijn studie heel zelfverzekerd geweest, met mijn nieuwe grote studentenkamer, mijn originele studie, het gitaarbandje waar ik in speelde, mijn literaire voorkeuren en ook met mijn hippieachtige uiterlijk. Nu zag ik mezelf ineens door de bril van Céline als een onvolmaakte Thomas. Ik had niet de juiste kleren aan, luisterde niet de juiste muziek, las net de verkeerde boeken, de inrichting van mijn kamer was puberaal en ik woonde niet in Amsterdam. Wat een stumper.

Op 9 maart promoveerde psycholoog Hannah Lennarz aan de Radboud Universiteit Nijmegen op een onderzoek naar jaloezie onder jongeren. Uit eerder onderzoek werd bekend dat jaloezie het meest voorkomt onder de adolescenten. „We weten dat interpersoonlijke relaties veranderen tijdens adolescentie”, aldus verklaart Lennarz in het persbericht van de universiteit. „Vrienden worden belangrijker, ze willen meer vrijheid van hun ouders, maar wel op hen blijven steunen. Dat zijn allemaal factoren die kunnen bijdragen aan het ontstaan van jaloezie.”

Nu zag ik mezelf ineens door de bril van Céline als een onvolmaakte Thomas

Wat Lennarz nog niet wist en wat ze heeft onderzocht via een vragenlijst-app onder 366 adolescente smartphone-gebruikers, is op welke momenten en op welke manier ze hun jaloezie ervaren. De conclusie die zij de belangrijkste vindt, namelijk dat jaloezie het meest gewekt wordt onder leeftijdgenoten én online, is natuurlijk geen nieuws, zeker niet voor de marketeers van modemerken en andere commerciële belanghebbenden die al jaren met die kennis in de vijver van de jeugd vissen – de enige manier waarop rages van dansmoves als de swish swish, de shuffle, de dab en de twerk elkaar zo snel kunnen opvolgen is doordat de jeugd elkaar volgt en na-aapt om er maar niet buiten te vallen. Dat je daar online meer mee bezig bent (nota bene de sociale media ontlenen hun bestaansrecht aan volgers) en dat je afgunstiger bent onder leeftijdgenoten (waarom zou je jaloers zijn op een volwassene die je nog niet, of een kind dat je niet meer hoeft te zijn?) zijn geen wetenschappelijke conclusies, maar tautologieën.

Al dat gepieker, is dat ook ergens goed voor?

Wat het onderzoek van Lennarz toch interessant maakt is haar interpretatie van de bijvangst van de conclusies: dat piekeren samenhangt met meer depressieve symptomen. Ze noemt dat „geen onverwachte bevinding”, want „piekeren blijkt eigenlijk altijd negatief voor het welbevinden te zijn.” Maar is piekeren „altijd negatief voor het welbevinden” of is het een ongemakkelijke toestand die iets over onszelf aan het licht brengt wat misschien bijdraagt aan ons welbevinden?

In een tijd waarin menselijk gedrag al snel wordt gereduceerd tot een evolutionair residu hebben we niet veel geduld met zelfkwelling. Het evolutionaire argument zou ongeveer zo kunnen luiden: jaloezie scherpt onze oplettendheid, waarmee de kans wordt vergroot je genetisch materiaal veilig te stellen – zeker nu we weten dat sperma vijandig sperma kan uitschakelen heeft dat gedrag in een pre-feministische oertijd zin gehad. En het schijnbaar zelfondermijnende gepieker zouden we evolutionair kunnen opvatten als een meer pacifistische strategie die de zwakkere exemplaren van de oermens in staat stelden zich aan te passen aan de wensen van diegenen die hun nageslacht konden garanderen.

Ik was mezelf niet meer, of beter, ik was me heel erg bewust van mezelf

Het probleem van dit soort evolutionaire hypotheses is niet alleen dat ze zo onbewijsbaar zijn, maar vooral dat ze onze blik vertroebelen op hoe jaloezie en gepieker nog steeds betekenis hebben, ook in een laat-modern en geëmancipeerd tijdperk. Wat doen we eigenlijk als we piekeren? Wat is de inhoud van deze zelfkwelling? Welke gedachten, gevoelens en gedragingen horen erbij?

Wat er gebeurt als je aan jezelf twijfelt

Ik voelde me zoals gezegd een stumper, ik was mezelf niet meer of beter, ik was me heel erg bewust van mezelf. Maar hoe ‘zelfbewust’ ben je als je je schaamt? Hoe realistisch is het beeld dat je van jezelf hebt? Je ziet jezelf vooral heel anders dan je bent. „It’s like I’m permanently outside myself”, zoals Simon verzucht tegen zijn dubbelganger James in The double (2014), een verfilming van Dostojevski’s gelijknamige roman. James is weliswaar zijn fysieke evenbeeld, in gedrag zijn ze elkaars tegenpolen. James is onbescheiden, joviaal en lui. Simon is consciëntieus, schuchter en intelligent. Ze werken voor hetzelfde bedrijf, maar James kan niet wat Simon kan. Simon helpt hem met het werk, in ruil voor wat tips en tricks om het meisje van de kopieerafdeling het hof te kunnen maken. „Ik weet gewoon niet of ik wel zo ben”, stamelt Simon na de aanwijzingen. „Juist daarom is het zo goed”, moedigt James hem tevergeefs aan. Er volgen vele mislukte avances van Simon. Als James zich ten slotte voordoet als Simon om het meisje voor hém te versieren, gaat het natuurlijk mis. Ze valt op de onechte Simon, en ziet de echte niet meer staan.

De trailer van The Double.

Het verhaal verbeeldt treffend wat er met je gebeurt als je aan jezelf twijfelt. Je gaat jezelf zien als een imperfect exemplaar van jezelf. In dit verhaal zozeer zelfs dat niemand nog de fysieke gelijkenis tussen Simon en James ziet. „Sir, he stole my face!” roept Simon tegen zijn baas, die de luie James van alles de credits geeft. „Die vent is een bedrieger!” Het mag niet baten. James strijkt ten slotte niet alleen met de eer die Simon toekomt, hij pikt ook zijn werk en zijn liefde in. Dat is zoals je het voelt als je je schaamt voor jezelf. Je bent natuurlijk nog steeds de persoon die je was, maar je voelt je zo slecht over jezelf dat je jezelf als een ander ziet. Dat je, zoals psychiater Louis Tas schaamte omschreef, geen empathie meer hebt met jezelf.

Volgens deze filosoof is jaloezie een beetje als schaamte

Volgens Roger Scruton kent de tragiek van de jaloezie een gelijkenis met de menselijke schaamte in het algemeen, omdat het individuele element van ons gevoel botst met de universele elementen ervan. „Al gaat het in het seksuele verlangen om een geïndividualiseerd object, het blijft verbonden met de interesse in andermans universele seksualiteit.” De catastrofe van de jaloezie is volgens Scruton „niet de ontdekking dat de geliefde van een ander houdt, maar dat hij verlangt naar een ander.” Hij haalt daarbij instemmend Spinoza aan, die schrijft dat het weliswaar droevig is als je liefde niet meer wordt beantwoord, maar dat de specifieke jaloerse gevoelens bij een afgewezene worden gewekt „omdat hij gedwongen is het beeld van het geliefde wezen in verband te brengen met de schaamdelen en de zaadafscheidingen van een ander.” In de jaloezie wreekt zich de paradox van de liefde dat het meest unieke en intieme ervan vorm krijgt in het niet-persoonlijke seksuele genot. Jaloezie, concludeert Scruton, „vernietigt de mythe van de uniciteit”. En in schaamte ligt diezelfde vernietiging op de loer. We zien ons unieke zelf beoordeeld door de algemene ogen van hoe het hoort. In de schaamte devalueert al het persoonlijke naar de maat van een zogenaamde norm. Dit is de inhoud van de zelfkwelling.

„In zijn reflectie verdubbelt zich de mens”, schrijft filosoof F. van Raalten in zijn proefschrift Schaamte en existentie (1964). Maar wat schieten we nu op met deze piekerende zelfreflectie? Volgens Van Raalten buigt de mens „zich over zijn bestaan heen om dit te ontwaren als een diep en stil geheim, verborgen in schaamte.”

Nu komt het: met jaloezie bekrachtig ik mijn unieke zelf

Dat is wat het gepieker oplevert. Ook al halen we onszelf er mee naar beneden, en ook al levert het maar zelden een oplossing. Hoe somber schaamtevol gepieker ook stemt, de gemoedstoestand zorgt ervoor dat ik ondanks de doorgeprikte „mythe van de uniciteit” kan vasthouden aan een idee van individualiteit. We piekeren niet om onszelf te verbeteren tot het perfecte exemplaar van onszelf, maar om onze unieke zelf te beschermen tegen het opgelopen zelfverlies. In het gepieker bewaren we namelijk onze persoon, „als een diep en stil geheim”.

Ik hoefde geen Thomas te worden om mezelf te zijn, maar ik werd wel een ander. Een oefening die een leven lang doorgaat. Ik zie het bij mijn dochter en haar leeftijdgenoten die zich graag verliezen in de sociale media en volgzaam hun nieuwe moves of kapsels posten op Musical.ly en Snapchat, maar het volgen al snel weer beu zijn.

In het gepieker bewaren we namelijk onze persoon, „als een diep en stil geheim”

Het begon al meteen toen ze eindelijk die felbegeerde smartphone kreeg voor Sinterklaas: weemoedig verzuchtte ze dat ze het wel gek vond niet meer dat meisje zonder telefoon te zijn. En ik zie het zelfs bij mijn moeder die soms haar geduld verliest bij mijn vader die lijdt aan de ziekte van Alzheimer. Zo’n vrouw wil ze niet zijn. Maar wie wil ze dan wel zijn? We piekeren ons suf, ons hele leven. En in dat gepieker bekrachtig ik mijn unieke individuele zelf, al zal ik nooit kunnen zeggen wie ik in de kern ben. Eén ding kan ik wel met zekerheid over mezelf vaststellen: I’m permanently outside myself.

Lees ook het opiniestuk van Claudi Bockting: Depressie-epidemie vraagt om hulp van filosofen en technologen
    • Coen Simon