Opinie

Kijk niet door een witte bril naar Afrika

Europa en Afrika

Te lang is Europa nonchalant en cynisch over Afrika geweest, schrijft . Dat kan niet langer. Waarachtig idealisme moet onorthodoxe oplossingen aandurven.

Illustratie Lynne Brouwer

Toen ik Jacques Rizinde ontmoette, was Rwanda een land dat net omhoog kroop uit het morele failliet van een genocide. Het was begonnen zijn schade op te nemen. Jacques was toen 18 jaar oud en net wees. Hij was het hoofd van wat restte van hun gezin: vier kinderen. Jacques was slim en altijd een ijverige leerling geweest, maar moest nu de kost verdienen voor zijn broers en zusje. Een paar jaar hebben we hem geholpen. In Kigali haalde hij een heao-diploma.

Jaren later hoor ik hoe het hem is vergaan. Jacques woont in North Dakota en werkt in een supermarkt als vakkenvuller. Liever ongeschoolde arbeid in het Westen dan een baan op niveau in Rwanda. Het tekent het verlangen naar Europa en Amerika dat ik overal in Afrika tegenkwam. Hoe dor en desolaat een dorp ook is, bijna altijd hangt in een barretje een tv, die de hele dag luid de oase aan de overkant van de plas laat zien: Coca-Cola in overvloed, geluk voor iedereen. Van Tanger naar Tarifa is maar veertien kilometer.

Geen Westerse leider die het scherper ziet dan Angela Merkel: Afrika is bepalend voor de toekomst van Europa’s open samenlevingen, misschien zelfs voor het overleven van de Europese Unie. Een jaar geleden presenteerde ze haar ‘Marshall Plan voor Afrika’. En in Davos riep Merkel begin dit jaar de wereldleiders op om verantwoordelijkheid te nemen voor de ontwikkeling van Afrika. Met een pragmatisch argument: „Unser Nachbar ist Afrika”. Én een moreel appèl: „We zijn medeverantwoordelijk voor Afrika’s problemen, we mogen niet langer wegkijken.

Het is geen nieuw idee. Nadat Europese overheersers tussen 1500 en 1900 bijna heel Afrika hadden onderworpen en gingen exploiteren, verscheen in 1899 een gedicht van de in Bombay opgegroeide Brit Rudyard Kipling, Nobelprijswinnaar en schrijver van The Jungle Book. Dat gedicht, ‘The White Man’s Burden’, zou de tijd doorstaan; de betekenis kleurde mee met de grillen van de witte man.

Take up the White Man’s burden –

Send forth the best ye breed –

Go bind your sons to exile

To serve your captives’ need;

[...]

Your new-caught, sullen peoples,

Half-devil and half-child.

[...]

Fill full the mouth of Famine

And bid the sickness cease;

[...]

By all ye cry or whisper,

By all ye leave or do,

The silent, sullen peoples

Shall weigh your Gods and you.

Met zijn oproep aan de kolonisator zijn ‘beste krachten’ naar de koloniën te sturen, verwoordt het een wonderlijke combinatie van zelfopoffering en arrogantie, van dienstbaarheid en superioriteit; kolonisatie als gift van de witte (toen ‘blanke’) aan de gekoloniseerde volkeren. ‘Goede daden’ als kerstening, onderwijs, klinieken en wegen compenseerden de roof van grondstoffen en mensen.

Opeenvolgende generaties Afrikanen groeiden op met een gerichtheid op Europa, dat zich tot ijkpunt van het Goede Leven had gemaakt. Onder Afrika’s armsten vind je nog het verlangen (weer) deel uit te maken van rationeel bestuur, van een organisatie waaruit – in koloniale tijden – wegen, scholen en klinieken waren gekomen, ook voor de have-nots. Onafhankelijkheid maakte van goed onderwijs en gezondheidszorg een voorrecht voor de elite. Nieuw is het verlangen naar de westerse weelde van de tv.

Hulp als aflaat

Wij Europeanen hebben onze verhouding tot Afrika telkens weer aangepast aan ons wispelturig eigenbelang. De White Man’s Burden veranderde in een eeuw ingrijpend van betekenis; wat bleef was de ‘last van de witte man’. Nadat de Afrikaanse kolonies zich losmaakten van Europa, werd duidelijk hoe gehavend ze waren. Traditionele structuren waren kapot en de nieuwe Afrikaanse elites konden zich verrijken. Falende staten, burgeroorlogen en humanitaire rampen waren het gevolg. ‘Biafra’ (1967) was de eerste hongersnood op tv. In 1994 keek het Westen toe hoe met kapmessen in Rwanda bijna een miljoen mensen werden vermoord.

Er moest worden goedgemaakt. Ontwikkelingssamenwerking werd na de jaren zestig ruimhartig opgetuigd als aflaat voor koloniale zonden. Totdat de neo-liberale geest van de jaren negentig tornde aan de bereidheid te helpen. Succes werd toen, net als mislukking, een keuze. Afrikaanse landen hadden de armoede aan zichzelf te wijten – rot op met je burden. Dambisa Moyo deed daar een schepje bovenop: hulp had zelfs perverse effecten, zei de Zambiaanse econoom. Hulp maakt Afrikaanse leiders lui. Toen ging het mes in de hulp. En hulp werd handelsbevordering.

Ook oorlogen overzee werden vaker gelaten voor wat ze waren: niet ons probleem. Uit Syrië vertrokken miljoenen vluchtelingen, in hun kielzog zetten ook jonge Afrikanen koers naar Europa. In het hele continent leggen families spaargeld bijeen om hun uitverkorene naar het beloofde land te sturen. Send forth the best ye breed. Precies dat doen Afrikaanse gemeenschappen: ze sturen hun sterkste zonen om in Europa welvaart te vinden.

Vechten tegen migratie

Langzaam daagt dat de open samenleving geen onbegrensde instroom verdraagt. Daar staat de witte man, met een last waaronder hij dreigt te bezwijken. Na Erdogan wordt nu ook Afrikaanse leiders het hof gemaakt, in de hoop dat ze in ruil voor geld hun kinderen thuishouden. Het leidt tot verontwaardiging onder Afrikanen. Migranten sturen vette cheques naar huis, meer dan er aan hulp komt. Wat een Malinese vrouw de zucht ontlokte: „Tegen migratie kun je niet vechten.”

Toch is dat precies wat Europese leiders willen. Aangezien een zeegrens niet te sluiten is, moeten jonge Afrikanen op hun geboortegrond zicht krijgen op een beetje redelijk bestaan – wat altijd de bedoeling was van ontwikkelingshulp.

Nu hulp een van de weinige touwtjes lijkt waar we in het migratiedossier aan kunnen trekken, maakt Europa weer plannen voor Afrika. Maar een ‘Marshallplan’ is makkelijker gezegd dan gedaan. Want met de hulp is veel van onze kennis over Afrika afgedankt. In Nederland hebben we geen gerenommeerd kennisinstituut – het Tropeninstituut kwam het dichtst in de buurt, maar dat is in tien jaar uitgekleed. De echte Afrikaspecialisten van Buitenlandse Zaken, met doorleefde kennis van landbouw of watervoorzieningen, gaan nu met pensioen.

Geconfronteerd met deze nieuwe problemen hebben wij geen idee hoe ons tot Afrika te verhouden. Volharden we in het najagen van ons eigen kortetermijnbelang, dan zal ons opportunisme als een boemerang terugkeren. We moeten ons langdurig verbinden met Afrika. En daarbij moeten we zowel pragmatischer als idealistischer worden. Pragmatischer in ons idealisme, idealistischer in ons pragmatisme.

Compassie

Mensen in levensgevaar verdienen onze compassie en opvang, tegelijkertijd is het naïef te denken dat de miljoenen Afrikaanse jongeren die naar Europa willen hier een volwaardig bestaan kunnen opbouwen. Zo is het ook naïef dat Europese landen zulke aantallen kunnen opnemen zonder dat het onze democratische ordening schaadt.

Én ons idealisme moet pragmatischer worden. Fors en ruimhartig investeren in Afrika is ook in ons eigen belang; wie niets te verliezen heeft, is met geen stok tegen te houden. Belangrijker: wanneer we willen helpen, moeten we het beter doen. Te vaak waren westerse interventies een schaamlap voor de onwil ons echt te engageren. Een van de grootste schandvlekken is de burgeroorlog in Oost-Congo. Die viert dit jaar zijn twintigste verjaardag. Of er één of vijf miljoen mensen zijn omgekomen, weten we niet eens; ze zijn het blijkbaar niet waard te tellen of een gedenkteken voor op te richten. Dat de oorlog nu opnieuw oplaait, is geen reden voor een conferentie.

Moderne huurlingen

Waarachtig idealisme moet onorthodoxe oplossingen aandurven. In Congo is de grootste en duurste VN-vredesmacht uit de geschiedenis (2,4 miljoen dollar per dag) niet in staat het geweld te stoppen. Met een pragmatischer idealisme hadden we de wreedheden al kunnen stoppen, en voor minder geld. Hoe? Door in opdracht van de VN een modern huurlingenleger naar Oost-Congo te sturen: goedgetrainde oud-commando’s uit westerse legers; soldaten die kunnen en willen vechten. Onder harde afspraken – no cure no pay – en met mensenrechtenwaarnemers.

Het is eerder met succes gedaan. In 1994 in Angola kregen ingehuurde soldaten van het Zuid-Afrikaanse Executive Outcomes de rebellen van Unita aan de onderhandelingstafel. Een jaar later stelde die private military company in Sierra Leone orde op zaken. De rebellen van Foday Sankoh hadden zich, moordend en ledematen afhakkend, tot in de hoofdstad Freetown gevochten, toen de regering Executive Outcomes inhuurde. In mum van tijd waren de rebellen verdreven, verslagen en was het moorden gestopt. Er zijn geen meldingen van wangedrag van deze soldaten. Nadat de huurlingen vertrokken, brak de burgeroorlog weer los.

Als onder-secretaris-generaal van de VN was Kofi Annan verantwoordelijk voor vredesoperaties, toen hij in 1994 overwoog een private militaire company naar de Rwandese hel te sturen. Zijn conclusie: „De wereld is nog niet klaar voor het privatiseren van vrede.”

De morele verontwaardiging over de inzet van moderne huurlingen is hypocriet en ideologisch. Hypocriet omdat de Bengalen, Ethiopiërs, Indiërs, Pakistanen, Rwandezen, Fijiërs en Urugayanen die de VN-legers bevolken, het óók doen voor het geld. Alleen zijn zij vaak slecht getraind en uitgerust. En ideologisch, omdat we het utopische idee van een ‘internationale macht’ die vredestichtend over de wereld trekt niet los kunnen laten.

De realiteit is dat wij in het Westen soms even ach en wee roepen over de horror en dan de portemonnee trekken voor een VN-macht van derderangs soldaten. Dat Congolese vrouwen en meisjes al twintig jaar lang in hun eigen huis worden verkracht. Dat mensen op de vlucht slaan. Dat per saldo iedereen duurder en ellendiger af is.

Ook als het om economische ontwikkeling gaat, kunnen pragmatisme en idealisme een goed koppel zijn. De Afrikaanse elite ziet de staat als vehikel om zelf zo snel mogelijk rijk te worden. Wat van waarde is, wordt uitverkocht. Olie, goud, steenkool, coltan, tin, cassiteriet, hardhout, neushoornhoorn, alles waar China voor wil betalen mag mee. Dat er roofbouw wordt gepleegd op deze landen, daar zit de elite niet mee.

Die stuurt zijn eigen kinderen naar de duurste kostscholen en universiteiten in Engeland en Amerika. Afrikaans geld zit in Europees vastgoed. Congo staat in de toptien van armste landen ter wereld. In Londen horen Congolezen tot de toptien buitenlandse investeerders die voor uitzinnige bedragen huizen kopen in de duurste postcode ter wereld, om de hoek bij William en Kate. Voor de Afrikaanse nouveau riche is er geen publiek belang.

De vraag is of we de internationale economie zo kunnen inrichten, dat Afrika’s elite de boel minder makkelijk kan leegroven. Dat de opbrengst uit Afrika’s bodemschatten wordt ingezet om de landen zelf te moderniseren. De geschiedenis van Europa en Amerika leert dat vrijheid en welvaart alleen de vrucht zijn van eigen inspanning. Zo kan het onderlinge vrijhandelsakkoord dat 44 (van de 55) Afrikaanse landen deze week sloten in elk geval bijdragen aan de groei van de Afrikaanse economie.

Zwitsers bankgeheim

Tegelijkertijd moet Afrika’s elite aan het belang van zijn eigen land worden vastgeketend, zodat haar eigenbelang overlapt met dat van de massa. Wellicht kan aan dictators, roofridders en andere tycoons de toegang tot de westerse huizenmarkt worden ontzegd. Het Zwitserse bankgeheim zou moeten sneuvelen en andere vluchtwegen voor roofgeld afgesloten. Alleen wanneer de Afrikaanse elite zelf belang krijgt bij het welvaren van het eigen land, is ze vatbaar voor druk van de bevolking wanneer die haar deel van de bonanza opeist. Zo ging het in Europa, toen met de Franse Revolutie het Ancien Regime werd afgeschaft, zo zullen Afrikaanse burgers hun machthebbers moeten dwingen tot delen.

Illustratie Lynne Brouwer

We hebben ons in Europa de luxe van nonchalance veroorloofd, we hebben Afrika’s problemen de problemen van Afrika gelaten, maar er liggen nieuwe kaarten op tafel. Europa is tot Afrika veroordeeld. De Chinezen scheppen Afrika leeg en Europa zit met de vluchtelingen. Klimaatverandering geeft woestijnen en modderzeeën en Europa zit met de vluchtelingen. Oorlogen rotten door en Europa zit met de vluchtelingen. Dat dwingt ons tot realisme en daadkracht, maar ook tot heel iets anders.

We hebben Afrika altijd bekeken door onze witte bril. We hebben er onze God, onze scholen, onze democratie en onze maatstaf voor het Goede Leven naar toe gebracht. Maar Afrika is ook heel erg zichzelf. Het is zo dichtbij, en toch heel anders. Het heeft zijn eigen rationaliteit, zijn eigen schoonheid, zijn eigen humor, en zijn eigen dubbelzinnigheden. En wij zouden onszelf helpen, als we de buren beter zouden begrijpen.

Dat kan alleen van binnenuit. Door te reizen. Of door verhalen aan te boren over gewone Afrikanen – de mensen die met heel hun familie geld potten om hun sterkste jongeling het water over te sturen, met het familiekapitaal op hun huid gebonden dwars door woestijnen, zandstormen, moessons, barricades en controles, richting de zee.