Opinie

Kabinet kan uitslag van het referendum niet negeren

Met miniem verschil heeft een meerderheid van de kiezers zich woensdag in het raadgevend referendum uitgesproken tegen de nieuwe inlichtingenwet. Met als gevolg dat het kabinet voor de vraag staat: wat nu? Het is te hopen dat premier Mark Rutte (VVD) geleerd heeft van twee jaar geleden toen hij aan de slag moest met het ‘nee’ bij de volksraadpleging over het samenwerkingsverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne. Zijn zoektocht naar een ‘geitenpaadje’ leidde toen bij tijd en wijle tot een weinig verheffende politieke glibberpartij.

De vervolgvraag rond de afgewezen inlichtingenwet ligt eenvoudiger dan bij het Oekraïne-referendum. Grote complicerende factor bij die volksraadpleging was dat het om een internationaal verdrag ging waarbij 27 andere EU-lidstaten plus Oekraïne waren betrokken. Al die landen dienden geconsulteerd te worden. De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die nu ter discussie staat, heeft weliswaar een internationale dimensie maar de besluitvorming is een puur nationale kwestie.

Een ander verschil met het vorige referendum is dat de tegenstem minder geduid hoeft te worden. Vanwege de veelomvattendheid van het Oekraïneverdrag had de kiezer verschillende redenen om nee te zeggen. Daar kwam nog bij dat de organisatoren van dat referendum kort voordat er gestemd kon worden, toegaven dat het hen eigenlijk helemaal niet ging om het Oekraïneverdrag maar om een waarschuwing tegen de steeds machtiger wordende Europese Unie.

Waarom een meerderheid zich woensdag tegen de inlichtingenwet heeft uitgesproken behoeft nauwelijks onderzoek. De tegenstanders zien onvoldoende waarborgen in de wet voor maximale bescherming van hun privacy. De organisaties en personen die zich hebben verenigd in het nee-kamp zijn niet zozeer tégen een wet, ze willen een bétere wet met bijvoorbeeld strengere eisen en voorwaarden.

Strikt genomen kan het kabinet de uitslag van het referendum negeren en de reeds door Tweede en Eerste Kamer aanvaarde wet alsnog in het Staatsblad zetten. Het raadgevend referendum is immers niet bindend. Als het kabinet besluit de wet ondanks de uitslag van het referendum niet in te trekken hoeft het slechts te motiveren waarom deze toch wordt ingevoerd. Het heroverwegen waar premier Rutte en eerstverantwoordelijk minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) het nu over hebben kan zodoende leiden tot ongewijzigde invoering van de wet.

Toch doet het kabinet er verstandig aan, ondanks het zeer kleine verschil tussen tegen- en voorstanders de uitslag van het referendum serieus te nemen. Er zal wat moeten gebeuren met de uitgesproken zorgen. In feite heeft het eind vorig jaar aangetreden kabinet in het regeerakkoord zelf de mogelijke oplossing al aangegeven.

In dat regeerakkoord staat dat wanneer de evaluatie van de nieuwe wet daartoe aanleiding geeft het kabinet voorstellen zal doen voor „additionele waarborgen” in de wet en een „versterking van het toezicht”. Daartoe toe kan het kabinet ook nu reeds besluiten. Dan is het niet de evaluatie die hiertoe aanleiding geeft maar de uitspraak in het referendum.

Dit zou ook politiek gesproken, in een tijd waar het vertrouwen zo ter discussie staat, een goed signaal zijn. Luisteren is geen schande.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.