Een monumentaal pand, je moet er wat voor over hebben

Wonen Mooie, beeldbepalende huizen behouden, is het doel van de nu 100-jarige vereniging Hendrick de Keyser. Drie bewoners vertellen over het pand dat ze huren.

Donald van Raalte in zijn Henrick de Keyserhuis in Rotterdam. Foto Merlijn Doomernik

Je hoeft geen lid te zijn van de vereniging om één van hun ruim vierhonderd huizen te mogen huren. Maar er moet wel een match zijn tussen jou en dat huis. Bijvoorbeeld: als je al wat ouder bent en het huis heeft steile trappen, zullen ze je vragen of je dit echt wel wilt. Heeft het interieur zijden behang, dan is een kat als huisdier een no go. En ja, voor wie terechtkomt in een monumentaal pand luidt de regel: enkel glas blijft enkel glas.

Hendrick de Keyser heet deze uitzonderlijke woningbouwvereniging, die honderd jaar geleden werd opgericht voor „het behoud van historisch of architectonisch waardevolle huizen en hun interieurs”, zoals het in de statuten staat. Vaak zijn het monumenten, maar dat hoeft niet. Wijnhandelaar Jacobus Boelen en kunstcriticus Jan Veth, de oorspronkelijke oprichters, wilden door het aankopen en vervolgens verhuren ervan, de sloop tegengaan van beeldbepalende huizen, vooral in Amsterdam.

Nog altijd bezit de vereniging, die is vernoemd naar de 17de-eeuwse Amsterdamse stadsarchitect De Keyser, de meeste panden in de hoofdstad: zo’n tachtig. Maar ze staan ook in andere steden en dorpen, waar ze variëren van trapgevelhuizen tot hofjes en van karakteristieke boerderijen tot twintigste-eeuwse bungalows. Twee jaar geleden nog werd in Nagele (Noordoostpolder) een woonwijkje uit de jaren vijftig overgedragen aan Vereniging Hendrick de Keyser, Karwijhof 1 t/m 32. De huurprijzen variëren al net zo, van enkele duizenden euro’s tot soms niet meer dan tweehonderdvijftig euro per maand.

Maar anders dan sommige andere, ongeveer even oude verenigingen voor behoud van cultureel of natuurlijk erfgoed, is Hendrick de Keyser met 4.500 leden niet groot. Ter vergelijking: Natuurmonumenten telt 700.000 leden. De Vereniging Rembrandt: 15.000. Zelfs Erfgoedvereniging Heemschut heeft meer leden, ruim 5.000.

Wat Hendrick de Keyser met die laatste twee verenigingen wél deelt is een hardnekkig imago van een wat elitair, vooral uit ouderen samengesteld gezelschap. En dat beeld van „een groepje vermogende mensen die elkaar kenden van de sociëteit”, kwam ook lange tijd met de werkelijkheid overeen, zegt Carlo Huijts, directeur sinds 1993. In dat jaar telde Hendrick de Keyser „ergens tussen de 1.000 en 2.000 leden”.

Dat aantal is sindsdien dus verdrievoudigd, maar moet nog verder stijgen. Bij voorkeur naar 20.000 in 2023, staat in het meest recente jaarverslag (2016). Voor de inkomsten zijn de nieuwe leden (à 30 euro per jaar) niet nodig: het grootste deel daarvan komt uit de huuropbrengsten. Die huuropbrengsten zijn genoeg voor het jaarlijkse onderhoud van het huizenbezit. Grote renovaties en aankopen doet de vereniging met geld van legaten, donaties en fondsen. Ook worden regelmatig huizen geschonken.

„Maar met kloppende financiën heb je nog geen draagvlak in de samenleving”, zegt Carlo Huijts. En precies daarom is het de vereniging nu te doen: waren leden, donateurs en erflaters traditioneel tevreden met zo nu en dan een bulletin vol kunsthistorische informatie, „tegenwoordig wil het publiek onze huizen ervaren en beleven”, staat in het jaarverslag.

Een breder publiek dus, heeft de vereniging nodig om te overleven in de nabije toekomst. Directeur Huijts: „Wij zijn bang dat een volgende generatie anders niet meer begrijpt waarom wij deze huizen willen bewaren. Dat de inhoudelijke kennis zo mager wordt dat mensen niet meer zien wat er bijzonder aan is.”

Museumhuizen

Om die volgende generatie naar de vereniging te trekken, zijn er ‘monument en bed’-locaties gekomen en openen nog dit jubileumjaar de eerste vijf ‘museumhuizen’. Die huizen zijn niet bewoond (of de bewoners wonen op een niet voor het publiek toegankelijke verdieping), maar al rondlopend kan de bezoeker ervaren hoe daar vroeger werd gewoond, gewerkt en geleefd. Om ze te bezoeken kun je ‘deelnemer van de vereniging’ worden: je bent dan geen officieel lid (Huijts: „Jonge mensen willen geen lid van een vereniging meer worden”), maar maakt deel uit van een groep gelijkgestemde belangstellenden. Voor 35 euro kan een deelnemer straks alle museumhuizen gratis bezoeken (één bezoek kost 8 euro).

Er moet een match zijn tussen jou en een huis: ‘Wij beslissen, niet de volgorde van de wachtlijst’

Ook voor potentiële huurders zijn er dingen veranderd. Nog altijd wordt in de eerste plaats gekeken naar de match tussen huis en huurder: „Wíj beslissen wie erin komt, het gaat niet op volgorde van wachtlijst”, zegt huurconsulent/coördinator woonkwaliteit Timme Schunselaar. Wat nieuw is: steeds meer huurders worden geacht zo nu en dan hun huis open te stellen voor bezoek. Al een jaar of tien gebeurt dat vrijwillig, tijdens ‘open dagen voor eigen leden’ of Open Monumentendag. Maar nu is er ook een clausule over opgenomen in het huurcontract: aan nieuwe huurders kan worden gevraagd drie keer per jaar hun huis te openen voor publiek.

Tot nu toe heeft niemand bezwaar gemaakt. Timme Schunselaar: „Het komt nu ook al voor dat mensen aanbellen bij onze huurders, omdat ze ons blauwe schildje naast de voordeur zien en denken dat het een museum is. Je woont in een stukje woongeschiedenis, dat weet je en daar moet je als huurder tegen kunnen.”

‘Ik ben hier met geen stok uit te krijgen’

Donald Ellis van Raalte (98), voormalig vermogensbeheerder, Rotterdam.

Wat Een in 1961 opgeleverde bungalow van de Nederlandse architect Willem van Tijen (1894-1974) in de Rotterdamse wijk Hillegersberg. De bungalow is kenmerkend voor de vroege jaren zestig: rechthoekige grondvorm, overstekende daklijst, grote glaspuien. Het zitgedeelte in de woonkamer ligt een halve meter lager dan het eetkamerdeel, een voorloper van de zitkuil uit de jaren zeventig. In 2001 schonk de oorspronkelijke opdrachtgever, die er nog altijd woont, het huis aan Vereniging Hendrick de Keyser.

Donald van Raalte in zijn Henrick de Keyserhuis in Rotterdam.
Foto Merlijn Doomernik
Foto Merlijn Doomernik

Hoe „Mijn vrouw en ik woonden in Den Haag toen ik in 1954 werk kreeg bij Robeco in Rotterdam. Je moet hier komen wonen, zeiden ze, zoek maar een architect, wij betalen mee. Mijn vrouw vertelde dat aan iemand die op dezelfde cursus kunstgeschiedenis zat als zij. Een zoon van haar bleek getrouwd met de dochter van een architect, een hele beroemde, zei ze erbij. Zo kwamen we in contact met Van Tijen. Hij ontwierp vooral flatgebouwen en dergelijke, maar hij zei dat hij het wel leuk vond om dit een keer te doen. Hij bleek een perfectionist te zijn, alles moest precies zoals hij het zich voorstelde: open, licht, recht. Toen de palen al waren geslagen en de fundamenten gelegd, bleek dat we een tweeling kregen. Dus toen moesten er toch wat dingen veranderd, zoals bij de open trap naar het souterrain. Na veel overleg is daar een glazen balustrade omheen gekomen, zodat de kinderen niet naar beneden konden vallen. Van Tijen en wij zijn niet als vrienden uit elkaar gegaan, maar in de loop der jaren is mijn respect voor zijn werk toegenomen. Het is al die tijd een fantastisch huis geweest om in te wonen, ik ben er nog altijd met geen stok uit te krijgen. Kijk hier, de doorgeefwand tussen de keuken en de eetkamer: je kunt de kastjes aan beide kanten openen, in één ervan zit een warmhoudplaatje dat het nog altijd doet. Dan zet je het eten vanuit de keuken op dat plaatje en als je aan tafel zit, haal je het er weer uit.”

‘Allemaal kamertjes, een sprookjeshuis’

Peter van Amerongen (76) en Annemarieke Pieko (58), beiden tandarts, Monnickendam.

Wat Een huis uit 1660 in Monnickendam. In de achttiende eeuw is er een achterhuis aangebouwd, het was één van de voornaamste huizen van de stad. Het huis heeft een lang erf, dat via een steegje in verbinding staat met de haven. In het voorhuis is het zeventiende-eeuwse houtskelet met muurstijlen, sleutelstukken en korbelen nog intact.

Nederland, Roterdam, 4 maart 2018
Dhr van Amerongen en Annemiek Pieko in hunHenrick de Keyserhuis

Foto: Merlijn Doomernik
Alle rechten voorbehouden / All rights reserved

Foto Merlijn Doomernik
Foto’s Merlijn Doomernik

Hoe Hij: „We wonen hier sinds 1991. Een paar jaar daarvoor hadden we ons aangemeld bij Hendrick de Keyser, maar ze zeiden: stuurt u maar een brief, u komt op een wachtlijst en misschien bent u dan over een paar jaar aan de beurt. Over dit huis zeiden ze: het is wel klein hoor. We dachten ook: wat moeten we in Monnickendam? We woonden toen nog in Amsterdam.” Zij: „We zijn ernaartoe gegaan en hebben door de brievenbus gekeken. Je zag een hele lange gang: met het achterhuis erbij was het juist groot.” Hij: „Ze zijn nog wezen kijken hoe wij woonden.” Zij: „We werden gewogen, zo voelde het. Maar we kregen het wel, onze drie kinderen zijn hier opgegroeid. Het is een soort sprookjeshuis, allemaal kamertjes. De kinderen hebben veel verstoppertje gespeeld.” Hij: „We hebben alles opnieuw geschilderd, maar dan moet je wel overleggen over de kleuren.” Zij: „De ramen zijn enkel glas en er zijn geen spouwmuren. Daar hou je rekening mee bij het stoken: in de vertrekken waar je niet bent brandt de verwarming niet. Als het koud is trekken we een trui aan.” Hij: „De wc ligt tegen de buitenmuur van het achterhuis. Daar hebben we het fonteintje afgesloten, omdat het te makkelijk bevroor.” Zij: „En als we een paar dagen weggaan in de winter, laten we de keukenkastjes open staan: anders bevriest daar de waterleiding ook.” Hij: „Toen we hier net woonden was er meteen een strenge winter. We konden de schaatsen onder binden in de keuken, klunen door de gang, de tuin en het steegje en dan zo het ijs op.”

‘Raar, een makelaar die huurt. Maar het voelt als thuiskomen’

Arie Betist (59), register makelaar-taxateur, Vierpolders. Dochter Irene (24), student in Rotterdam, komt vaak langs.

Wat Een boerderij uit 1738 in Vierpolders (Voorne-Putten). De Esterenburg was een pachthoeve, de rijke eigenaar verbleef er ’s zomers als op een buitenplaats. Voor hem was de opkamer gereserveerd, met een eigen ingang en een bedstede. De boerderij telt vijf bedstedes, de andere twee bevinden zich in de keuken en de woonkamer. Boven het woongedeelte was een graanzolder, erachter lag de bijna vijftig meter lange schuur, met ruimte voor paardenstallen, een hooitas en een koestraat. Het woonhuis is nog geheel intact, de schuur is na een grote brand gehalveerd. De Esterenburg werd in 2002 aangekocht door Vereniging Hendrick de Keyser.

Nederland, Brielle, 12 maart 2018
Arie Betist en zijn dochter Irene

Foto: Merlijn Doomernik
Alle rechten voorbehouden / All rights reserved

Foto Merlijn Doomernik
Foto’s Merlijn Doomernik

Hoe „Ik ben hier vlakbij geboren, mijn vader had een kleine tuinderij. Als kind speelde ik in de boomgaard hierachter, waar nu kassen staan. In de herfst mocht ik kastanjes rapen op het erf, ik ben toen ook wel eens binnen geweest. Zelf ben ik na mijn trouwen twee kilometer verderop gaan wonen. In Brielle. En in een koophuis, zoals het een makelaar betaamt. Op een gegeven moment zag ik dat de boerderij was verkocht en werd gerestaureerd. Later las ik in de lokale krant dat ze er een huurder voor zochten. Ik was net gescheiden en meldde me aan. Ze zeiden dat ze in onderhandeling waren met iemand anders, maar die haakte af. Zo heb ik het gekregen. Dat was in 2007. Raar natuurlijk, een makelaar die een huis gaat huren. Maar het voelt voor mij alsof ik thuis ben gekomen, ik ontleen veel levensvreugde aan deze plek. Het is hier dankzij de restauratie ook comfortabel. Weliswaar zijn alle schuiframen van enkel glas, en die klepperen als het hard waait, maar koud is het niet: er is vloerverwarming gekomen. En de keuken, de badkamer en het toilet zijn geheel vernieuwd. Maar als je wilt weten hoe het vroeger was: in het toilet bestaat de vloer sinds de restauratie uit een doorzichtige glasplaat, waaronder je nog de oude beerput kunt zien. Vroeger zat daar de poepdoos boven, een houten bankje met een gat erin.”