Het vertrek van Gerard Kemkers bij FC Groningen is terug te brengen tot gebrek aan erkenning en herkenning.

‘Die echte omarming voelde ik toch niet ontstaan’

Gerard Kemkers Na ruim drie jaar als innovator bij FC Groningen liep de succesvolle oud-schaatscoach vast. „Ik zou meer uitvoerder worden dan visionair.”

Dit is „mijn kindje”, zegt Gerard Kemkers. „Mijn anker.” En: „Mijn erfenis.” We staan voor het Topsportzorgcentrum in aanbouw, op een druilerige donderdagochtend langs de A7 in een ambiance van langsrazend verkeer en bouwvakkers aan het werk. Hier verrijst het nieuwe trainingscentrum van FC Groningen annex platform voor kruisbestuiving tussen zorg, topsport, breedtesport en bedrijfsleven in Noord-Nederland.

Hier legde Kemkers de afgelopen drie jaar zijn ziel en zaligheid in. In een portacabin laat hij de drie schakeringen groen zien die de schil gaan vormen om het gebouw. Een bouwvakker plukt de toiletsleutel van een haakje. Is de toekomst van de club gewaarborgd met dit futuristisch bastion? „Een gebouw, dat zijn maar stenen hè'”, zegt Kemkers. „Het gaat toch om de mensen en de visie erachter.”

Met het Topsportzorgcentrum begon Kemkers’ bestaansrecht in het voetbal, maar dat de opening van het gebouw komend najaar samenvalt met zijn vertrek, had hij niet voorzien. „Ik kreeg aanzien, positie bij de club omdat ik dat gebouw deed. Maar dat was nooit het uitgangspunt voor mij. Ik ben iemand die wil sleutelen aan de sportpraktijk.” En daarop liep Kemkers, na ruim drie jaar bij FC Groningen, vast.

Twee dagen eerder trok hij in een hotel in Drachten anderhalf uur uit om uit te leggen waarom hij opstapt als ‘manager topsport en talentontwikkeling’. Vier jaar terug gaf hij zijn zekerheden op als schaatscoach, onderweg bij Groningen wimpelde hij diverse aanbiedingen af. Hoewel het succes van Sotsji (2014) hem nog „zwaar aan het twijfelen” bracht, koos hij toch de sensatie van iets nieuws. Voetbal.

Hij was een vreemde. Oké, de stayer van toen is een aardig voetballertje geweest. Hij legde laatst eens de bal dood op de voet toen trainer Ernest Faber hem keihard aanspeelde. Telt toch.

‘Stoere topsportbeslissing’

Twee dingen wil Kemkers per se gezegd hebben. Hij is FC Groningen, dus directeur Hans Nijland, „dankbaar” want „ik heb mogen kijken en groeien”. En hij vindt, hoezeer die ook uitpakte in zijn nadeel, dat de directie „wel een stoere topsportbeslissing” neemt door hem niet tegemoet te komen. „Niks is erger in topsport dan polderen. Als je er tussenin blijft hangen, komt het zeker niet goed.”

Maar toch: de breuk. Kemkers – „van nature sportinnovator” – kwam er niet uit met de directeur die al ruim twintig jaar aan het roer bij de club staat. Waarom niet? „Hans zei de hele tijd: we zijn het op inhoud eens”, zegt Kemkers. „Dat was niet waar. We zijn het op het eind-effect eens. Alleen de manier waarop we daar komen, dát is inhoud, niet.”

De infrastructuur onder clubs is matig. Er zit veel geld in voetbal, maar niet aan de basis

Gerard Kemkers

Zijn vertrek is terug te brengen tot gebrek aan erkenning en herkenning. Kemkers zag dat vooral „de laatste twee, drie maanden” ontstaan. „Spreken we wel dezelfde taal?”, vroeg hij zich regelmatig af. In die periode werd onder meer de nieuwe trainer voor volgend seizoen aangesteld, Danny Buijs. En besloot de directie dat de club niet verdergaat met hoofd jeugdopleiding Caspar Dekker, aan wie Kemkers veel van zijn ideeën kwijt kon. Hij gaat niet in op die twee besluiten, maar spreekt wel van „bepaalde discussies waar ik blijkbaar niet aan meedoe”.

Is dat onwerkbaar? „Voor mij wel, ja. Kijk, er zijn twee manieren van invloed. Eén: je bent die stille kracht, die ik graag wil zijn. Maar dan moet je door iedereen omarmd worden. Twee: je hebt een structuur waarin je duidelijk een plek krijgt. Dat eerste voelde ik niet ontstaan, dus heb ik het tweede belangrijker gemaakt.”

Maar dat tweede is, bleek vorige week, ook niet gelukt. Hij zou ondergeschikt worden aan technisch manager Ron Jans, die over het eerste elftal gaat. Dat was voor Kemkers een fundamenteel punt. Niet vanwege de strepen op zijn mouw. Wel omdat er volgens hem uit blijkt dat FC Groningen niet erkent dat de opleiding een „ander expertisegebied” is dan presteren in de eredivisie. Zijn conclusie: „Ik zou als het ware uitvoerder zijn in plaats van visionair.”

Er waren „vijf, zes gesprekken” met de directie, wat volgens Kemkers aangeeft hoe graag de club hem wilde houden. „Eigenlijk zeiden ze: we willen wat jij doet. Alleen willen we je niet vooraan in de bus.” Hij was, vraagt hij retorisch, toch manager topsport én talentontwikkeling én topsport? „Ik kan best gelukkig zijn in de opleiding”, zegt hij later. „Maar ik snapte niet waarom ze de expertise die ik heb op het hoogste niveau, niet aan het hoogste niveau koppelden. Best vreemd.”

Het antwoord op de vraag wat hij deed bij FC Groningen, begint met een forse aanloop. Een voetbalclub heeft „vier kernposities”, zegt hij. Trainer, hoofd jeugdopleiding, technnisch directeur, algemeen directeur. Die wil hij ondersteunen, inspireren, influisteren, spiegelen. „Dat past bij mij.” Maar dat betekent wel: gehoord worden. „Bij bepaalde discussies over de toekomst was ik graag bij geweest, omdat ik dan had mee kunnen sturen. Dat miste ik.” Dat adviezen in de wind worden geslagen? Prima. „Maar praat met me.”

Conservatisme

Dat hij na ruim drie jaar stukloopt in het voetbal, wil hij niet symptomatisch noemen voor het conservatisme. „Ik vernauw het tot FC Groningen en mezelf. Wat mij ontbeert, is een klassieke positie. Ik ben manager topsport en talentontwikkeling, dat is voor voetbal soms heel lastig.” Kemkers zat pas „op 25 procent”, schat hij. Hij heeft altijd evolutie gepredikt, nooit revolutie. Hij slaat zijn gebalde vuisten tegen elkaar. „Je kan niet van hier, baf, ineens naar daar.”

Foto Kees van de Veen

Hij is trots op wat hij heeft bereikt. De mensen, met name in de opleiding, die hij beïnvloedde. „Wat helemaal van de horizon is verdwenen: we werkten al een half jaar met het model dat ik voorstelde. Dat dat werd teruggedraaid, vind ik misschien wel het ergste.”

Geanimeerd begint hij te schuiven met attributen op tafel. Het koekje bij de capuccino staat voor de eredivisie, de menukaart voor de jeugdopleiding. Hij schuift een peper- en zoutvaatje vooruit, dat zijn Sven Kramer en Ireen Wüst. Kemkers vertelt hoe hij als coach van de TVM-schaatsploeg met afgrijzen zag dat gewestelijke trainers oefenstof kopieerden die hij specifiek had ontwikkeld voor het vooruitgeschoven peper- en zoutstelletje Kramer en Wüst. „Talentontwikkeling is niet copy-paste wat de beste doet. Toch gebeurt dat constant. Ik zag Ireen-dingetjes, Sven-dingetjes. Wiskundeformules, terwijl ze hier aan de basis nog met 1+1 bezig moeten zijn.”

Hij zag het ook toen hij eind 2014 begon bij FC Groningen. „Iedereen deed zo’n beetje als het eerste, het was allemaal eredivisietaal.” Hij duwt op het koekje dat het eerste elftal is. „Hier gaat het om de knikkers, stand op de ranglijst, keiharde wereld. Veertig weken per jaar Olympische Spelen. Maar hier”, de menukaart, „mag het nooit copy-paste presteerklimaat zijn. Je moet kinderen voorbereiden op het vak. Dus: resultaat-denken eruit, proces-denken erin. Maatkostuums maken. De mens achter de sporter kennen en groeiprocessen stimuleren.”

Het koekje

Volgens Kemkers is het betaald voetbal in Nederland ‘doordrenkt’ met de trainingsleer van inspanningsfsyioloog Raymond Verheijen. „Als ik het heel platsla: ieder weekend moet je fit en fris zijn voor de wedstrijd. Ik zeg daar niks over, maar als het al past, past het hier.” Het koekje. Maar in de jeugd? „Het is wel makkelijk om ook daar een prestatiecultuurtje neer te leggen, maar je moet juist af van het ranglijstdenken. Waarom in elke leeftijdscategorie dezelfde ritmes? Wij zijn daarom begonnen met een mediumweek, zware week, mediumweek, herstelweek. Dat is geen rocket science hè.”

Alles opzij voor wat hij een „ontwikkel-cultuur” noemt. Dan hoort hij vaak: ‘Maar Gerard, geef jij niet om winnen?’ Kemkers: „Ik geef alles om winnen. Maar een duel, een sprintje winnen – is ook winnen. Iets dat je de week ervoor nog niet kon. Donderdag en vrijdags hard trainen en zaterdag met stijve benen spelen, laten zien dat je het met knokken kan. De hele piramide is één survival of the fittest, uiteindelijk gaan één of twee door. Het gaat erom: wat heeft iemand betekend in het elftal, is er wat geleerd? Ik heb nog nooit een heel team zien doorstromen naar het eerste.”

Dan verschijnt een kleurrijk schema op zijn iPad. „Mijn schaatsjaarplan, waarbij mijn streven was alle specialismen op één A4-tje te krijgen, waardoor iedereen weet dat alles wat we doen ingrijpt in dezelfde planning en fase.” Zo bouwde hij samen met jeugdtrainers ook een voetbaljaarplan. „Wat heb je nodig als prof en hoe bouw je daar in een leerlijn naartoe? Wat betekent dit voor elke leeftijd, hoe richt je training in?” Hij wilde breken met de praktijk dat jeugdtrainers in hogere leeftijdscategorie meer verdienen. „Hoe krijg je anders de beste onder-12 trainer van Nederland, die daar zes, zeven, acht, negen jaar zit en zich hartstikke ontwikkelt in die leeftijdscategorie?”

Foto Kees van de Veen

Hij respecteert waar het voetbal vandaan komt. „Maar de infrastructuur die onder een club hangt is matig”, constateert Kemkers. Hij wijst op de basis van de piramide. „Er is veel geld, maar dat zit zeker niet hier.” De nivellering in het Nederlandse voetbal is de talentenfabriek aan te rekenen, vindt hij. „Daar waren wij aan het sleutelen. We waren een fabriek aan het optuigen, met visie en revisie. We hadden zes tot acht jaar geleden al moeten schakelen, doorontwikkelen. Daar zag ik een rol voor mezelf weggelegd.”

‘Vancouver blijft Vancouver’

Het mocht niet zo zijn. Zijn toekomst is nu ongewis. „Het is nog te pril”, zegt hij. Als schaatscoach 230 dagen per jaar met sporters op pad, dat ziet hij zichzelf niet snel meer doen. Ook niet met de nu sponsorloze Wüst, zoals werd geopperd toen zijn breuk met FC Groningen feit werd. „Te simpel gedacht.”

Even simpel als de gedachte dat Kemkers met de nederlaag van Kramer op de olympische tien kilometer, vorige maand, de diskwalificatie in Vancouver (2010) nooit kan afsluiten. „Zou ik gebogen door Heerenveen moeten lopen omdat Sven die tien niet gewonnen heeft? Ik ga me geen complexen aanpraten. Al had Sven gewonnen, nog steeds blijft Vancouver Vancouver.” De verkeerde wissel is „een litteken”. Hij wijst op zijn hart. „Maar ik ga niet leven naar dat litteken.”

Een terugkeer in schaatsen zou kunnen, als technisch-directeur bij de schaatsbond. „Ga ik rustig meewegen.” Nog iets: „Een mentorrol voor jonge gasten die superambitieus zijn”, zegt hij. Klaar met voetbal? Niet per se. „Ergens zou het zonde zijn om niet verder te gaan. Maar het zal een hardere start zijn dan toen ik hier begon. Want als ik nu ergens binnenkom, heb ik wel wat te vertellen.”