1918: het jaar van nationalisme in een brandend Europa

In het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog ontploft de veelvolkerenstaat Oostenrijk-Hongarije. Het nationalisme bij de minderheden is opgestookt door militaire dwang, misère in de loopgraven en propaganda.

Russische soldaat met gasmasker. Foto Hulton Archive/Getty Images

Een jaarwisseling is zelden een historisch keerpunt. Meestal gaat gewoon door wat al aan de gang was en gebeurt nog steeds niet wat eerder was uitgebleven. Zo begint ook 1918, het laatste jaar van de Grote Oorlog. In de westelijke frontlijn, die loopt van het Belgische Nieuwpoort tot het Franse Nancy, zit al maanden geen beweging. Aan het oostfront heeft het revolutionaire Rusland op 15 december een wapenstilstand gesloten met de Centrale Mogendheden – het Duitse keizerrijk en Oostenrijk-Hongarije – en zijn vredesbesprekingen gaande.

Toch gebeurt in januari iets wat een stempel zal drukken op het hele laatste oorlogsjaar. De Verenigde Staten, die sinds de oorlogsverklaring aan Duitsland in april 1917 meevechten met de Entente in Europa, formuleren voor het eerst voorwaarden voor een vrede met de Centrale Mogendheden. Op 8 januari houdt president Woodrow Wilson een rede voor het Congres, waarin hij deze condities samenvat in een serie korte paragrafen. Die zijn de geschiedenis ingegaan als ‘de Veertien Punten’, Wilsons recept voor een betere wereld na de oorlog.

Het is een liberaal programma van vrijhandel, een vrije zee, wapenbeheersing en vreedzame regeling van geschillen tussen staten. Eén beginsel springt eruit: het zelfbeschikkingsrecht van volken. Voor het Europa van 1918 vertaalt Wilson dit principe in punt 10 – ‘De volken van Oostenrijk-Hongarije moeten de gelegenheid krijgen voor autonome ontwikkeling’ – en in punt 13 – ‘Er moet een onafhankelijke Poolse staat komen, bewoond door een ontegenzeglijk Poolse bevolking’. De naoorlogse orde wil hij onder toezicht stellen van een wereldregering-in-de-dop. Punt 14 luidt: ‘Er moet een algemeen verbond van nationaliteiten worden gevormd met het doel garanties te bieden voor politieke onafhankelijkheid en territoriale integriteit van zowel grote als kleine staten’.

Fatale schoten

Wilson wil tegemoetkomen aan de verlangens van de etnische minderheden in de veelvolkerenstaat Oostenrijk-Hongarije, die wordt geregeerd door het huis Habsburg. Want in dat kruitvat is de oorlog ontbrand. Meer in het bijzonder in Bosnië-Herzegovina, een Zuid-Slavische landstreek die dan deel uitmaakt van Oostenrijk-Hongarije. Brandstichter was Gavrilo Princip, een Servische Bosniër die het gebied wilde losmaken uit de Dubbelmonarchie en bij het onafhankelijke Servië voegen. Princip loste op 28 juni 1914 fatale schoten op aartshertog Frans Ferdinand, de Oostenrijkse troonopvolger, en diens vrouw Sophie tijdens hun bezoek aan de Bosnische hoofdstad Sarajevo. Wenen hield Servië verantwoordelijk. Duitsland verzekerde Oostenrijk dat het kon rekenen op steun als het door een strafexpeditie tegen Servië in oorlog zou raken met Rusland. En zo begon een wereldbrand.

Lappendeken van vorstendommen

In de loop van vier jaar vechten zouden Tsjechen, Polen, Kroaten, Slovenen, Bosniërs en zelfs Hongaren ervan overtuigd raken dat er voor hen geen toekomst was binnen de Dubbelmonarchie. Toch eisten de vele nationaliteiten in Midden-Europa niet meteen een eigen staat. De ontploffing van Oostenrijk-Hongarije voltrok zich in slow motion. Het zou tot het najaar van 1918 duren voor de brokstukken landden. In de tussenliggende oorlogsjaren raakten minderheden in de ban van het nationalisme.

Nationalisme is een moderne ideologie die ontstond in de negentiende eeuw en in zijn vroegste vorm behelsde dat een staat zijn samenhang en legitimiteit niet ontleent aan een vorstenhuis, maar aan de sociaal-culturele eenheid van zijn burgers. Die eenheid zou een natie smeden. Nationalisme was de drijvende kracht achter de totstandkoming van het Koninkrijk Italië (in 1861) en het Duitse Keizerrijk (1871), voordien lappendekens van kleine en grotere vorstendommen. De culturele band tussen volksgenoten – niet de dynastieke aanspraken van vorsten – moest landsgrenzen bepalen. Tenminste, dat wilde de ideologie. Aan het begin van de twintigste eeuw waren de meeste grenzen in Midden- en Oost-Europa nog erfgrenzen van dynastieën.

Nationalisme in Midden-Europa kon gedijen op fiere verhalen van vroeger en bittere oorlogservaringen. Bij Poolse en Tsjechische intellectuelen leefden herinneringen aan de oude koninkrijken Polen en Bohemen. Die waren in het dynastieke machtsspel van de achttiende eeuw ingelijfd bij, of verkaveld tussen Habsburgs Oostenrijk, Pruisen en tsaristisch Rusland.

De ervaringen in de loopgraven stelden trouw aan de keizer zwaar op de proef en maakten dat leiders van minderheden radicaliseerden. Zo werden Tsjechen gedwongen onder Habsburgse vlag tegen hun Slavische broeders in Servië en Rusland te vechten. En Polen uit de Dubbelmonarchie werden aan het oostfront ingezet tegen volksgenoten in het Russische rijk. Door hardhandige militaire dwang in de keizerlijke en koninklijke legers en massa-executies van deserteurs verspeelde de Donaumonarchie zijn laatste trouwe onderdanen onder de minderheden.

Oorlogspropaganda

Bij de opkomst van het Centraal-Europese nationalisme speelde ook oorlogspropaganda een grote rol. Rond de eeuwwisseling was de publieke opinie een machtsfactor geworden. Om het publiek zover te krijgen dat het de oorlogvoering steunde en zijn zonen naar het front stuurde, was een enorme propaganda-inspanning nodig. Met alle opgeklopte haatgevoelens van dien. In de geallieerde campagnes tegen de Centralen was onderdrukking van minderheden een belangrijk thema. Geen middel werd geschuwd om achter de vijandelijke linies opstand en revolutie te zaaien. Dat gold voor beide kampen. Zo gaf Duitsland vrije doortocht aan de Zwitserse trein die Lenin in april 1917 naar de Oostzee bracht.

Een voorbeeld van radicalisering door de oorlog is de loopbaan van de Tsjech Tomás Masaryk (1850-1937). Hij was de zoon van een Boheemse horige, koetsier op een keizerlijk landgoed in Moravië. Zijn moeder was een Slowaakse kokkin. Door tussenkomst van de plaatselijke politiecommissaris kon hij naar het gymnasium in Brno en later naar de universiteit van Wenen. In de rijkshoofdstad werd hij hoogleraar in de wijsbegeerte en lid van de Reichsrat, het Oostenrijks-Hongaarse parlement. Daar betoonde hij zich een vurig pleitbezorger van de Tsjechische minderheid. Maar ook als voorman van de oppositie bleef hij tot het uitbreken van de oorlog trouw aan de Keizer.

Geschiedenisquiz
Athene was vanaf de vijfde eeuw voor Christus een directe democratie: iedereen met stemrecht kon stemmen over wetsvoorstellen. Hoeveel procent van de inwoners van Athene was stemgerechtigd?

Ca. 20 procent, alleen volwassen mannen met burgerrecht.

Ca. 55 procent, alle inwoners die een onafhankelijk inkomen hadden.

Ca. 80 procent, iedere man of vrouw die in Athene geboren was.

Als in 1914 ook de Tsjechen onder de wapenen worden geroepen ontstaat in Praag een ondergrondse verzetsbeweging. Masaryk wordt uitverkozen om die te vertegenwoordigen in het buitenland en in december 1914 vertrekt hij naar Zwitserland. In de jaren die volgen reist hij met een Servisch paspoort langs de hoofdsteden van de Entente om de zaak van de Slavische minderheden in de Dubbelmonarchie te bepleiten. Intussen verandert zijn nationalistische beweging, door repressie en misère in de loopgraven, in een beweging voor Tsjechische (later Tsjechoslowaakse) onafhankelijkheid. Ontbinding van Oostenrijk-Hongarije wordt het einddoel.

In 1915 verhuizen Masaryk en zijn jongere kompaan Eduard Benesj naar Parijs, waar zij, met de zegen van de Entente, een Tsjechisch Nationaal Comité oprichten. Dat laat met geallieerde hulp pamfletten uitstrooien boven Boheemse en Slowaakse eenheden aan het front met de oproep zich over te geven of te deserteren. Tegen het einde van de oorlog hebben zo’n 400.000 Tsjechische en Slowaakse soldaten daaraan gehoor gegeven. Een aantal van hen neemt dienst in Tsjechische en Slowaakse legioenen die zowel aan het west- als aan het oostfront meevechten met de geallieerden.

Pools leger als kanonnenvoer

De revolutionair Lenin heeft de Russen vrede beloofd, en die krijgen ze, maar tegen een hoge prijs. Op 3 maart 1918 sluit een Russische delegatie in het Poolse vestingstadje Brest-Litovsk (nu Brest in Belarus) een vredesverdrag met de Centralen. Rusland doet afstand van eenderde van zijn grondgebied: Estland, Letland, Litouwen en Russisch Polen.

Brest-Litovsk, maart 1918. Officieren van Rusland en Oostenrijk-Hongarije kort voor ondertekening van een vredesverdrag.

Foto Hulton-Deutsch Collection/CORBIS/Corbis

Daarmee haakt Rusland af als lid van de Entente en Tomás Masaryk trekt zijn conclusies. Op 7 maart, vier dagen na ‘Brest-Litovsk’, vertrekt hij uit Moskou via Tokio naar de VS. Vanuit Japan, lid van de Entente, laat hij president Wilson weten dat hij zich niet kan vinden in het tiende van diens Veertien Punten. ‘Autonomie’ voor de nationaliteiten van Oostenrijk-Hongarije is niet genoeg, schrijft hij. In de loop van de zomer laat Wilson zich door Masaryk vermurwen. Tsjechen, Slowaken en Zuid-Slaven zouden recht hebben op volledige onafhankelijkheid, net als de Polen.

Het stuk historisch Polen dat bij de deling van 1794 aan Rusland was toegevallen, werd in 1915 bezet door de Duitsers. Berlijn en Wenen spraken toen af om hier een semi-autonoom ‘Koninkrijk Polen’ te stichten, met een eigen leger, de Polnische Wehrmacht, dat als kanonnenvoer moest dienen voor de Centrale Mogendheden. In Galicië, het kleine Habsburgse deel van historisch Polen, bestond al de kiem van zo’n leger.

De linkse nationalist Józef Pilsudski (1867-1935), telg uit een geslacht van verarmde Poolse adel in Russisch Litouwen, beschouwde zich als erfgenaam van Poolse patriottische tradities. Hij bracht jaren door in tsaristische gevangenissen. In 1906 richtte hij met toestemming van de Oostenrijkse autoriteiten in Krakau (Kraków) en Lemberg (nu Lviv in Oekraïne) een school op voor de training van paramilitaire eenheden. De Oostenrijkers zagen die als hulptroepen in een eventuele oorlog met Rusland. Pilsudski zag het anders: dit was de strijdmacht voor een toekomstig onafhankelijk Polen.

Lees ook: De Spaanse griep leek eerst zo mild

Na de Duitse bezetting van Russisch Polen wilde Pilsudski wel zitting nemen in de staatsraad van het ‘koninkrijk’, maar hij weigerde zijn mannen in te zetten als ‘Duitse koloniale troepen’. De Duitsers zetten hem daarom in juli 1917 gevangen in Magdeburg. In de ogen van veel Polen was Pilsudski een held die zich durfde te keren tegen alle drie de ‘delingsmachten’. Na zijn arrestatie sloten veel van zijn manschappen zich aan bij de Poolse Militaire Organisatie (POW), een ondergronds leger dat in heel Polen wachtte op een teken om in actie te komen.

Pilsudski had een rivaal, de rechtse nationalist Roman Dmowski (1864-1939). Hij was al in 1915 naar Parijs vertrokken om de Poolse zaak te bepleiten bij de Entente. Daar kreeg hij gezelschap van de Poolse patriot en componist Ignacy Jan Paderewski (1860-1941). In juni 1917 erkende Frankrijk hun Nationale Comité in Parijs als voorlopige regering van een toekomstig Polen. Paderewski reisde naar de VS en wist ook president Wilson te winnen voor Poolse onafhankelijkheid. Het werd het dertiende van diens Veertien Punten.

De kaarten voor het eindspel waren geschud.

In het voorjaar van 1918 voert het Duitse leger onder generaal Erich Ludendorff over de volle breedte van het westelijke front aanvallen uit met zware artillerie om een doorbraak te forceren naar Parijs. Dat offensief wordt met Amerikaanse hulp tot staan gebracht. Op 8 augustus ondernemen de geallieerden onder de Franse generaal Ferdinand Foch een tegenoffensief. Met een tankaanval op de Duitse stellingen bij Amiens drijven ze de Duitsers terug. Op dat moment besefte Ludendorff, schreef hij later, dat doorvechten zinloos was. Als in september het Bulgaarse leger na een succesvol geallieerd offensief in Macedonië uiteenvalt en Bulgarije een afzonderlijke wapenstilstand sluit, eisen de Duitse generaals Hindenburg en Ludendorff een wapenstilstandsaanbod van de Centralen aan de Geallieerden.

Blauw-wit-rode vlag

Op 17 oktober doet keizer Karl I van Oostenrijk-Hongarije een laatste poging zijn rijk te redden. In een manifest belooft hij de volken van de Donaumonarchie een federale staatsinrichting. Om hem de pas af te snijden roept Masaryk op 18 oktober in Washington de Tsjechoslowaakse onafhankelijkheid uit en laat hij voor zijn huis de nieuwe blauw-wit-rode vlag hijsen.

Op 20 oktober schrijft Wilson in een nota dat Tsjechische onafhankelijkheid de prijs is die voor vrede moet worden betaald. Als die tekst op 28 oktober bekend wordt in Praag, barst een menigte op het Wenceslausplein uit in gejuich en worden Habsburg-emblemen van tabakswinkels en openbare gebouwen gehaald. Die dag besluit het Praagse Nationale Comité de regeringsmacht over te nemen; Oostenrijkse ambtenaren pakken gelaten hun koffers. De Slowaakse Nationale Raad spreekt zich uit voor vereniging met de Tsjechische provincies. Op 14 november verklaart een Nationale Vergadering de Habsburgse dynastie vervallen van alle rechten in Tsjechië en Slowakije, proclameert een republiek en kiest Tomás Masaryk tot eerste president. De ontbinding van het rijk is begonnen.

Dan ontdekken de Oostenrijkers, dat wil zeggen de Duitstaligen die in het rijk de dominante groep vormden, dat ook zij een nationale minderheid zijn, zij het een die eeuwenlang geholpen heeft een multinationaal keizerrijk te besturen. Zij beseffen dat zij evenveel recht hebben als de andere op de zelfbeschikking waar Wilson voor pleit en die hun keizer op 17 oktober aan alle nationaliteiten heeft beloofd. Om hun pas ontdekte status als natie kracht bij te zetten installeren de Oostenrijkse afgevaardigden in de Reichsrat zich op 21 oktober als Voorlopige Nationale Vergadering van de Onafhankelijke Duits-Oostenrijkse Staat.

Geschiedenisquiz
Wat hebben de Tsjecho-Slowaakse politicus Jan Masaryk, de Russische onderzoeksjournalist Ivan Safronov en zeven leden van het vijftiende-eeuwse Praagse stadsbestuur met elkaar gemeen?

Ze konden aanspraak maken op de titel ‘Koning van Bohemen’.

Het waren voorvechters van een onafhankelijk Slowakije.

Ze zijn om het leven gekomen door defenestratie: uit het raam geworpen.

Gigantische stroom soldaten

Het houdt niet op. Op 29 oktober maken de Kroaten, Slovenen en Bosnische Serviërs zich los uit het Oostenrijks-Hongaarse staatsverband. In 1919 zouden zij opgaan in het Koninkrijk Servië (vanaf 1929 het Koninkrijk Joegoslavië). Gavrilo Princip, die in april 1918 in de gevangenis is gestorven, krijgt postuum zijn zin.

Ook de Hongaren, die zelf lang minderheden hebben onderdrukt en in de Dubbelmonarchie een sub-imperiale positie innamen, worden aangestoken door het ‘wilsonisme’. Zij herinneren zich weer de heroïsche strijd van hun nationale held Kossuth tegen Oostenrijkse verdrukking in het revolutiejaar 1848. Hoe meer het mode wordt een nationale minderheid te zijn, hoe meer de Hongaren er van overtuigd raken dat zij dat zelf ook zijn. De man die stem geeft aan dit gevoel is de tot radicale hervormer bekeerde aristocraat Mihály Károlyi (1875-1955). Op 24 oktober bestormt een revolutionaire menigte van arbeiders en soldaten het parlementsgebouw in Boedapest. Dan wordt een Hongaarse Nationale Raad gevormd met Károlyi als voorzitter. Karel I, nog altijd koning van Hongarije, stelt de graaf telefonisch aan als premier.

De volkswoede keert zich ook tegen de Habsburg-dynastie zelf. Als op 3 november een wapenstilstand wordt gesloten tussen de Donaumonarchie en de Geallieerden, komt een gigantische stroom soldaten op gang die zich een weg baant naar huis. Militairen rukken zich de onderscheidingstekenen van het uniform en de rijkshoofdstad Wenen is getuige van revolutionaire taferelen. Het spookbeeld doemt op van een proletariërs-opmars naar paleis Schönbrunn.

Op 10 november dringt tot Wenen door dat keizer Wilhelm II en de Duitse kroonprins na een socialistische omwenteling in Berlijn troonsafstand hebben gedaan en in ballingschap zijn gegaan in Nederland. Dan geeft ook Karel het op. Hij doet in een verklaring afstand van ‘alle bemoeienis met staatszaken’ (niet van zijn dynastieke rechten als Habsburger) en verlaat met zijn gezin Schönbrunn. Op 13 november herhaalt hij dit ritueel als koning van Hongarije.

Als op 10 november in Berlijn het kabinet van de sociaal-democraat Friedrich Ebert aantreedt, stelt het onmiddellijk de Poolse gevangene Józef Pilsudski op vrije voeten. Die vertrekt ijlings naar Polen en neemt het commando op zich van het ondergrondse leger POW.

Op 11 november sluit een delegatie van de regering-Ebert een wapenstilstand op basis van de Veertien Punten en annulering van de besluiten van Brest-Litovsk. Daarmee geeft Duitsland al het bezet gebied op. De POW ontwapent overal in Polen Duitse troepen en op 14 november neemt Pilsudski in Warschau de macht in handen. In januari 1919 vormt Paderewski een coalitieregering en wordt Pilsudski president van de Republiek Polen.

President Wilson reist vlak vóór Kerstmis 1918 naar Europa, waar hij pleit voor ‘peace without victory’. Het zal anders lopen. Tijdens de Britse verkiezingscampagne in december belooft Sir Eric Geddes, minister in het kabinet-Lloyd George, dat hij „Duitsland zal uitknijpen tot je de pitten hoort kraken.”

Tijdens de vredesconferentie die op 18 januari 1919 begint in Parijs staat Wilson alleen. Hij moet op veel van zijn Veertien Punten water bij de wijn doen, behalve op punt 14, een Volkenbond. Maar het Amerikaanse Congres besluit daarbuiten te blijven en in de VS begint een periode van isolationisme. In Europa wordt met het Verdrag van Versailles de kiem geplant van een nieuw, virulent nationalisme, dat van Adolf Hitler.



    • Dirk Vlasblom