Recensie

Wraak op de betere kringen

Henriëtte van Eyk

Het privéleven van deze schrijfster is even boeiend als haar nog altijd zeer leesbare en vermakelijke fictie. Dat blijkt uit de biografie van Aukje Holtrop.

Henriëtte van Eykschreef op luchtige toon over haar leven Foto Letterkundig Museum

Haar manier van schrijven was zonder meer onnavolgbaar verrukkelijk: ‘Wat nu mijn uiterlijk betreft, dat bestaat geheel uit een slank voorkomen in het zwart.’ Het is die stijl die Henriëtte van Eyk direct succes bezorgde, tot haar eigen en andermans verbazing, toen ze haar korte verhalen over de afschuwelijkheid van de hogere kringen bundelde in De kleine parade (1932), een boek dat vandaag de dag wellicht vergeten is, maar dat, vanwege die stijl, de moeite waard blijft: ‘Mama [...] struikelde over iets dat er niet lag en er ook niet behóórde te liggen.’

Van Eyk (1897-1980) schreef het om wraak te nemen op diezelfde welgestelde kringen, vertelt Aukje Holtrop (1941) in haar biografie Henriëtte van Eyk. Vrouw tussen vier mannen. Want het gezin Van Eyk, aanvankelijk óók zeer welgesteld en keurig en gebruikmakend van privéscholen, was tot armoede vervallen nadat Henriëttes vader naar Amerika was gevlucht om arrestatie wegens frauduleus handelen bij de bank waar hij werkte te voorkomen. Nétte armoede dat wel, maar Jet, zoals Holtrop haar in navolging van familie en vrienden noemt, wilde niet langer met de vroegere kennissen omgaan. Hoe hooghartig en bekrompen ze die had gevonden liet ze zien in haar boek, waarop later, wegens groot succes, een vervolg verscheen, De intieme revue.

Ondanks haar vliegende start in de literatuur, is Henriëtte van Eyk geen groot schrijfster geworden. Behalve haar boekje Gabriël. De geschiedenis van een mager mannetje, heeft ze nooit iets gepubliceerd dat op een roman leek, en daar leken de literaire wereld en zijzelf toch wel enigszins op te wachten. Holtrop benadrukt meer dan eens dat Van Eyks talent daar nu eenmaal niet geschikt voor was, dat haar kracht lag in haar grillige fantasie, haar ragfijne stijl, haar sprookjesachtige verzinsels en originele invallen – allemaal in de vorm van korte verhalen. Die brachten haar wél roem en inkomen, al had ze altijd geldgebrek, maar ze ging nooit behoren tot het échelon van ‘belangrijke schrijvers’. Ze deed er meestal luchtig over, maar dat ze altijd maar grappig moest zijn leek haar soms wel degelijk te hinderen, bijvoorbeeld toen ze omstreeks 1950 op een verzoek om een bijdrage aan een bundel met humoristische verhalen, een pinnig briefje schreef dat ze ‘zich niet meer tot de ‘clan der clowns’ wenste te rekenen.’

De biografie heet, met een toespeling op Vestdijks Kind tussen vier vrouwen, Vrouw tussen vier mannen en dat is ook waar de nadruk op ligt. De vier mannen die een grote rol in Van Eyks leven hebben gespeeld, zijn in de eerste plaats haar vader, van wie ze dolveel hield en die het gezin zo plotsklaps in de steek liet, nota bene ook nog met een andere vrouw die, nog meer nota bene, getrouwd was met Jets opa.

Dan was er broer Bert, met wie ze zeer close was. Hij was een begaafde en geleerde man, hoogleraar scheikunde, die aanvankelijk een mooie carrière maakte. Maar later in zijn leven ging het mis – hij had geen werk meer, geen geld, geen vrouw, hij misdroeg zich op straat als travestiet. Het ging van kwaad tot erger en zus Jet had jarenlang veel met hem te stellen.

De derde man is haar eerste echtgenoot, Jean Lenglet, als schrijver bekend onder de naam Edouard de Nève. Holtrop laat zien dat hij nogal eens jaloers was op het literaire succes van Jet. Hij deed verzetswerk in de oorlog en werd opgepakt. Hij belandde in een psychiatrische inrichting in Duitsland en kwam na de oorlog zwaar beschadigd terug. Het huwelijk overleefde dat niet.

En ten slotte was er de belangrijkste man uit Van Eyks leven: Simon Vestdijk. Op hun verhouding, die van 1946 tot 1962 duurde, met lange onderbrekingen, gaat Holtrop het uitgebreidst in. Een deel daarvan was al bekend uit de Vestijk-biografie van Wim Hazeu en de briefwisseling tussen Vestdijk en Van Eyk uit de jaren 1946-1947 werd in 2007 uitgegeven, maar Holtrop heeft meer gezien en gevonden. Vestdijk woonde in Doorn met zijn ‘compagne’ Ans Koster en kwam al vrij snel tot de ontdekking dat hij alleen dáár kon schrijven. En aangezien zijn werk voor hem het allerbelangrijkste was, diende Jet zich daarin te schikken. Wat ze deed. Soms tot verontwaardiging van Holtrop, die niet ten onrechte vindt dat Vestdijk vooral veel oog had voor zijn eigen belang en weinig voor dat van zijn geliefde. Maar ze hadden samen heerlijke tijden, met veel drank, uitgaan en geschater, zolang Vestdijks depressies hem tenminste niet uitschakelden.

Van Eyk zelf heeft in haar autobiografie Dierbare wereld een luchtige en opgewekte toon aangeslagen om over haar leven te schrijven, deze biografie laat zien dat er ook wel andere kanten aan dat leven zaten. Toch is er iets van die opwekkende toon van Van Eyk zelf ingeslopen, waardoor alles over het geheel genomen licht blijft. Holtrop heeft ervoor gekozen om vooral in eigen woorden, zonder noten en met niet meer dan een kleine verantwoording achterin, over dit soms nogal akelige maar ook verrassende leven te vertellen en je luistert graag naar haar, al herhaalt ze weleens wat.