opinie

    • Auke Kok

Ook een dichter des doods gaat dood

Die ene keer dat ik aan tafel zat met F. Starik zal ik niet meer vergeten. Zoals hij aan kwam lopen naar onze tafel leek hij op een rauwe manier afwezig, maar dat was hij juist niet. Afwezig bedoel ik. Stadsdichter Starik zeeg nog niet neer of hij registreerde een overspelig duo enkele tafels verderop. „Zonde”, zei hij nuchter en stellig zoals een dichter moet klinken – als een pruttelende kolenkachel. De man en de vrouw verderop begingen een zonde; dat bedoelde Starik niet bestraffend, hij gedroeg zich in alle opzichten als een dichter, een stádsdichter mind you, maar observerend. De man keek onder het zoenen alert om zich heen, bang om te worden betrapt: volgens mij had Frank Starik behalve een zondige duo ook meteen een gedicht voor ogen.

Ik mocht hem meteen. Die avond zouden we beiden optreden in Pakhuis de Zwijger en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Starik langer en hartstochtelijker applaus oogstte dan ik. Volkomen terecht.

Met zijn zwarte pak en langpuntige overhemdkraag, daarboven een wijkende haargrens en zware bril was hij een en al dichter en dat maakte hij waar ook. In zijn timbre, humaan en vol compassie voor taal en mens, was de straat nooit ver weg: het merendeels jonge publiek genoot. En hij genoot. In ieder geval tijdens zijn rol als dichter. Ook loerde de dood dikwijls om de hoek, viel mij op. Daarom moest ik afgelopen week aan die avond in De Zwijger denken toen bleek dat hij zelf ineens dood was. Een hartstilstand.

Ook dacht ik aan die andere keer dat ik hem ontmoette, op Begraafplaats De Nieuwe Ooster. In het museum met de heerlijke naam Tot Zover openden hij en mededichter Menno Wigman de expositie aangaande een project waar zij beiden bij betrokken waren, De Eenzame Uitvaart. Hun passie voor het dichten ter ere van gestorven sloebers ontroerde me. Poëzie voordragen bij een dode van wie niemand afscheid wil nemen: hoe lief kan een mens zijn?

Starik vond het „belangrijk dat je in deze kille harteloze maatschappij in ieder geval een laatste woord spreekt”. Dat verdienden ook de stakkers, de vervuilde onaangepasten, de vervelende, lastige, irritante figuren.

Zo is dat. Schitterende metaforen zweefden boven de hoofden van het publiek in Tot Zover. De dood inspireert, net als vergankelijkheid en eenzaamheid. Vandaar zinnen als: „Aarde, wees niet streng voor deze man.”

Nu Starik zelf aan de aarde is toevertrouwd, kan ik me moeilijk voorstellen dat die streng voor hem zal zijn. Hij die in zijn eentje afscheid nam van zovele eenzamen, verdiende een mooie uitvaart. Wigman en die andere Eenzame Uitvaart-poëet, Simon Vinkenoog, konden er niet meer spreken, van hen was al afscheid genomen.

Ook de dichters des doods gaan dood, sommigen veel te vroeg, zoals Wigman (51) en Starik (59). Frank had van mij voor het leven benoemd mogen worden tot Amsterdamse stadsdichter. Ik koester de momenten die ik met hem mocht doorbrengen.

Auke Kok is schrijver en journalist.
    • Auke Kok