Recensie

Offers verzinnen om de dood te bezweren

Marieke Lucas Rijneveld

In haar succesvolle debuutroman gunt ze haar personages niets dan kilte.

Tekening Paul van der Steen

Ja, die taal. De grootste attractie van De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld is, dat heb je algauw door, de manier waarop het verteld wordt. De uitbundige associaties, de woest schuimende beeldspraak – ze waren al bepalend in Rijnevelds bekroonde debuutbundel Kalfsvlies (2015), waar je aan het begin van een dichtregel een beeld kon treffen dat aan het einde van de regel alweer opgevolgd was door twee andere.

Je zintuigen worden meteen opengezet als Rijnevelds debuutroman begint. Er wordt vettige ‘uierzalf tegen de vrieskou’ op gezichten gesmeerd, met moeders ‘dikke vingers’ die ze in de ‘bleke wangen’ van de kinderen zette ‘als in een kaas waar ze aan voelde en op klopte om te kijken of de korst aan het rijpen was’, en dat alles ‘in het licht van het keukenpeertje, dat onder de vliegenkak zat’. Zulk bloemrijk, zintuiglijk schrijven is opmerkelijk. En het is niet onopgemerkt gebleven: meteen na verschijning stond de roman in de bestsellerlijst, de eerste recensies waren zonder wanklank, herdruk na herdruk, het werd de best verkopende literaire roman van de Boekenweek.

Marieke Lucas Rijneveld (1991) verstaat de kunst van het afdwalen: zien, kijken, associëren en daar weer op voortborduren. Dat is de belangrijkste eigenschap van Jas, de constant wegdromende twaalfjarige boerendochter die haar verhaal vertelt in De avond is ongemak. Die beschrijfdrift zorgt voor zintuiglijk, vertragend proza, maar aan het begin wacht ook al het noodlot: terwijl Jas binnen zit, tart haar broer Matthies de kou, schaatst een wak in en verdrinkt.

We bevinden ons dan op een afgelegen boerderij in de jaren negentig, waar geloofd wordt in de straffende God van de gereformeerden en ook anderszins weinig warmte heerst. Nu verkilt alles. Het kerstdiner wordt weggegeven aan de buurvrouw, de spar aan de straat gezet. De ouders zwelgen stilletjes en onmachtig in hun verdriet, de kinderen worden aan hun lot overgelaten: ‘Vader en moeder zien onze tics niet. Ze hebben niet door dat hoe minder regels er zijn, hoe meer we deze zelf gaan verzinnen.’ Jas sluit zich op in haar jas (ja, what’s in a name), die ze weigert uit te trekken.

Gedrenkt in zondebesef

Daar draait de roman om: de stuurloosheid van de kinderen, die offers gaan verzinnen om de dood te bezweren, dieren dood gaan maken, zichzelf pijnigen. Bandeloos en gedrenkt in zondebesef is bovendien de ontluiking van Jas’ seksualiteit. Daarin, en in nog veel meer, doet De avond is ongemak héél erg denken aan Het smelt van Lize Spit – en misschien verklaart die vergelijking ook een deel van het succes.

Maar de vergelijking houdt geen stand. De dichterlijkheid van Rijneveld, die je noopt haar zinnen heel precies te lezen, leidt vaak tot onzuivere metaforen. Een tong die ‘als een vaargeul in de mond’ lag: gek. De mededeling dat de dood ‘lelijk was en zo taai als een verloren tijgernootje dat we dagen na een verjaardag ergens achter een stoel vonden’, is op het eerste gezicht origineel, maar in tweede instantie een wankele vergelijking. Dat de dood ‘lelijk en taai’ is: oké, maar op de dood kauw je niet. En water dat uit het weggegooide ouderlijke waterbed loopt en bevriest, levert deze al te ingewikkelde associatie op: ‘Ik durfde er niet op te gaan staan, bang dat al vaders en moeders nachten zouden gaan kraken, dat ik erdoorheen zakte.’ Van weggelopen water naar geplaagde nachten: bijzonder, maar te gezocht om te overtuigen. Soms, zoals wanneer Jas het loensen van haar zusje vergelijkt met ‘de sluitertijd van een fototoestel’, en zegt dat ze ‘er’ het liefst ‘een nieuw rolletje’ in zou draaien, ‘zodat ik zeker weet dat ze nooit naar de overkant vertrekt’, wordt het onbegrijpelijke pathetiek, een al te opzichtige poging om een dramatisch gevoel over te brengen.

Logische fouten

De afdwalingen en vele vergezochte metaforen ondermijnen ook de geloofwaardigheid van de twaalfjarige verteller, ‘te oud om in de tandenfee te geloven, maar te jong om niet meer naar haar te verlangen’. Jas is heel vaak naïef. Als ze zich erover verwondert dat Jezus elk jaar herdacht moet worden, ‘die arme man is toch allang dood, ze zijn het vast vergeten’. Als ze denkt dat haar gebed om haar konijn te redden Matthies’ dood veroorzaakte. Als ze bedenkt dat er Joden bij hen in de kelder zitten – een verzinsel waarin ze heilig gaat geloven. Met naïeve kinderlogica is op zich niets mis, daarop drijft ijzersterke jeugdliteratuur, zie Het boek van alle dingen van Guus Kuijer of Een kleine kans van Marjolijn Hof. Maar bij Rijneveld strookt de naïviteit niet met Jas’ vermogen als verteller om te reflecteren en wijsheden te debiteren, zoals: ‘we leren om mensen uit een wak te redden, maar boven water weten we niet hoe we iemand op het droge moeten houden’.

Om beide te blijven geloven, haar domheid en haar slimheid, moet je als lezer wel erg veel naïviteit opbrengen. Dat stoort nog erger bij de logische fouten in de roman, die je niet meer als dichterlijke vrijheden kunt verkopen. Zo houdt Jas twee padden in een emmer in haar kamer zonder ze geschikt eten te geven – maar ze overleven maandenlang. En de punaise die ze in haar navel steekt (want bestemmingen prik je met een punaise op een landkaart en: ‘Ooit wil ik naar mezelf toe’), blijft daar maandenlang in zitten. En maandenlang heeft ze last van obstipatie, ja echt: ze poept máánden niet.

Het geloof houdt een keer op. En dat ondermijnt alles: je bereidheid om mee te gaan in Jas’ loyaliteit naar de liefdeloze ouders, haar wanhopig soelaas zoeken in wegdromen en afdwalen, het idee dat God het gezin bestookt met plagen (die van Egypte). Rijneveld laat de koeien mond-en-klauwzeer krijgen en geruimd worden, en zo gaat het van kwaad tot erger, steeds erger, alleen maar.

Als in de tweede romanhelft de metaforen wat steviger staan, gaat vooral die opeenstapeling van wreedheden storen, de personages die eenduidig blijven in hun gepijnigdheid. Dat er dan op zeker punt ook nog seksuele grenzen overschreden worden, voelde je al aankomen – en dat terwijl Jas’ hitsigheid zo’n sterke, ontroerende verhaallijn beloofde te worden.

Maar Rijneveld gunt haar personages en ons lezers uiteindelijk niets dan kilte: ze voerde ons een wreed en sadistisch universum binnen, waarin we al vermoedden dat alles bergafwaarts zou gaan, en dat gaat het. Dat wordt voorspelbaar – Rijneveld is niet de eerste jonge debutant van de afgelopen die over wreedheid schrijft – en het wordt er niet bepaald geloofwaardiger op. Tegenover die kilte staat niet, zoals in Spits Het smelt, een geloofwaardige verteller, een spannende plot of het geringste sprankje van het o zo menselijke streven naar geluk. Het enige wat dit boek lijkt te willen, is ons laten lijden.

    • Thomas de Veen