Recensie

Netwerken door de eeuwen heen

Niall Ferguson

Netwerksamenlevingen bestaan al eeuwen. In zijn nieuwe boek relativeert de Britse historicus het belang ervan en laat hij zien dat ze lang niet altijd een open samenleving nastreven.

Tegenwoordig spreken beleidsmakers, trendwatchers en toekomstvoorspellers met grote regelmaat over het netwerktijdperk. De opkomst van internet in de jaren voor en na de eeuwwisseling eeuw zou uniek zijn in de geschiedenis, onvergelijkbaar met gebeurtenissen in eerdere eeuwen. De Britse historicus Niall Ferguson (1964), die grote onderwerpen niet schuwt, laat in Het plein en de toren zien dat ook vroeger al netwerksamenlevingen bestonden, zij het op een kwantitatief en kwalitatief veel kleinere schaal.

Ferguson is niet de eerste die werk maakt van dit thema. In 2003 publiceerde de Canadese historicus William McNeill samen met zijn zoon John al een wereldgeschiedenis die ze The Human Web noemden. Zij lieten zien dat het wereldwijde web twaalfduizend jaar geleden al bestond. Ferguson laat de netwerken beginnen in de late middeleeuwen met de pest, die via overzeese handelsrelaties dood en verderf zaaide in Europa.

Fergusons ambitie is de wisselwerking en spanning te beschrijven tussen hiërarchische samenlevingen (‘de toren’) en netwerksamenlevingen (‘het plein’). Met duizelingwekkende eruditie voert hij je langs Azië, (Zuid-)Afrika, Europa en Amerika, waarbij het grote verhaal van de strijd tussen hiërarchie en netwerk wordt verteld in kleine verhalen over mensen van vlees en bloed. Niettemin staat Europa centraal. Veel werk maakt hij van de boekdrukkunst en de ontdekkingsreizigers in de zestiende eeuw. In de hiërarchische samenleving van die tijd bestonden al wel netwerken, maar dan van elites, aldus Ferguson, die in dit verband Thomas Cromwell (1463-1510) opvoert, de privé-secretaris en minister van Financiën van Hendrik VIII. Zijn meer dan tweeduizend brieven draaiden om de koning.

Revolutie

In het Reformatiejaar 1517 telt Ferguson wereldwijd meer dan dertig hiërarchisch geregeerde keizerrijken, koninkrijken en groothertogdommen, die in Europa werden ondermijnd door de communicatie-revolutie die Reformatie heet. Dankzij Gutenbergs uitvinding van de boekdrukkunst werd een berg boeken, pamfletten en schotschriften over Europa uitgestort waarop autocraten nauwelijks antwoord hadden. Vanuit datzelfde Europa zwierven dankzij hun superieure kennis op scheepvaartgebied avonturiers en ontdekkingsreizigers over de wereld. Ze zetten handelsposten op en veroverden vandaar uit grote delen van Noord- en Zuid-Amerika. Volgens Ferguson staan (ondergrondse) netwerken dikwijls aan de basis van revoluties, ook die in het denken. Maar hij plaatst wel een belangrijke kanttekening: de hardnekkige gedachte dat de Verlichting gedragen werd door een kosmopolitisch gezelschap dat van Frankrijk tot Schotland met elkaar verbonden was via correspondentie klopt niet. Ferguson demonstreert dat aan de hand van de brieven van Voltaire. Van zijn veertienhonderd correspondenten was zeventig procent afkomstig uit Frankrijk. Bovendien onderhielden Voltaire en andere verlichte geesten als D’ Alembert en Rousseau hofdzakelijk contacten met aristocraten en functionarissen die in dienst stonden van het Franse koninklijk huis. Maar hoe beperkt hun contacten geografisch en intellectueel gezien ook waren, ze droegen op hun manier bij aan het klimaat waarin de Franse Revolutie kon ontstaan.

De relativerende en nuchtere kijk op het verschijnsel netwerken maakt de kracht uit van dit boek. Hij is niet blind voor het feit dat ook netwerken hun eigen hiërarchie kennen. En daarbij: netwerkers waren en zijn niet alleen uit op democratisering en een open samenleving. Integendeel, een aantal van netwerkers toonde zich juist vijanden van die open samenleving, zoals in het midden van de vorige eeuw de beruchte Cambridge five, de vijf in Cambridge opgeleide Britten die voor de Russische geheime dienst NKVD spioneerden in en na de Tweede Wereldoorlog. Anthony Blunt, Guy Burgess, Kim Philby, Donald Maclean en John Cairncross waren wel de bekendste intellectuele spionnen, maar bepaald niet de enige hooggeplaatste Britten die geworven waren door de Sovjets.

Netwerktijgers

Tot de vijf tegen de lamp liepen, ontpopten de vijf zich tot ware netwerktijgers die de NKVD een stortvloed documenten doorspeelden – zoveel, dat de paranoïde stalinisten in Moskou even vreesden dat ze met dubbelspionnen van doen hadden. Tot een proces tegen de vijf kwam het nooit: sommigen vluchtten naar Moskou en sleten daar hun dagen, terwijl anderen overgeplaatst werden zonder strafvervolging.

Het verborgen spionnennetwerk in het midden van de twintigste eeuw fungeerde in een tijd die door Ferguson gekarakteriseerd wordt als ‘een hoogtepunt in de geschiedenis van hierarchieën’. De oude dynastieke rijken van de Romanovs, de Habsburgers, de Hohenzollerns en de Osmanen waren weliswaar weggevaagd maar vervangen door imperiale staten, die gedreven werden door een sterke ideologie (nazi-Duitsland, de Sovjet-Unie en de Chinese Volksrepubliek). Hoewel de (overdreven) vrees bestond dat de Verenigde Staten zich dankzij de communistenjacht van senator Joseph McCarthy zou ontwikkelen tot een totalitaire staat, keerde het aloude verenigingsleven dat de VS al in de negentiende eeuw kenmerkte snel terug. Niet tot onverdeeld genoegen van de federale overheid die maffiose organisaties zag opduiken in de bovenwereld. Diezelfde overheid moest aanvankelijk ook niets hebben van keurige Afro-Amerikaanse organisaties en probeerde de zwarte burgerbeweging op alle mogelijke manieren onder controle te houden, waarbij telefoontaps het onschuldigste middel waren.

In de 21ste eeuw worstelen overheden nog steeds met netwerken, zij het op heel andere schaal. De overal opdoemende netwerken laten zich maar moeilijk controleren, de snelheid en geografische verspreiding via internet stellen overheden voor problemen. Bovendien meent Ferguson dat de opkomst van internet de maatschappelijke ongelijkheid heeft vergroot. Terwijl Gutenberg na zijn uitvinding van de boekdrukkunst op zwart zaad zat, zijn Microsoft, Facebook en Google miljardenbedrijven geworden en deelt de wereld die ze hebben verbonden niet of nauwelijks in hun fortuinen.

Ten slotte schetst Ferguson een weinig opwekkend beeld van de cyberoorlogen, waarvan de veronderstelde Russische beïnvloeding van de laatste Amerikaanse presidentsverkiezingen het sprekendste voorbeeld is. Toch eindigt zijn boek niet somber: zoals de katholieke kerk uit de middeleeuwen haar macht gebroken zag door een netwerksamenleving, zo ziet Ferguson de huidige hiërarchische ‘torens’, zoals verbeeld in het Kremlin en de Trump-tower, uitgedaagd door ‘het plein’, verbeeld in de horizontale bouw van Silicon Valley, waar steeds nieuwe whizzkids digitale vormen uitvinden die burgers in staat stellen een tegenkracht te vormen.