Recensie

Fry hóúdt van de mythen, en dat hoor je

Stephen Fry Een hervertelling van de Griekse mythen was niet per se nodig, maar dat Fry die maakte is een luxe. Zijn gretige vertelplezier doet ze klinken als een fantastische soap over een uitgestorven, mensachtige diersoort.

Weet je nog, hoe de titaan Prometheus het vuur aan de mensen gaf, terwijl zijn vriend de oppergod Zeus hem dat expliciet had verboden? Hoe Zeus, als wraak, de eerste vrouw Pandora naar de mensen stuurde, die per ongeluk ziekte, geweld, bedrog, ellende en nood losliet? En hoe Zeus Prometheus strafte door hem vast te ketenen aan een rots, waar twee gieren elke dag opnieuw zijn teruggegroeide lever uit zijn lichaam vraten?

Weet je ook hoe de godin Hera in een poging haar man Zeus op ontrouw te betrappen, de snavel van een vogeltje dichtklemde tot het paars aanliep? En dat daarom mannelijke vinken nog steeds een rode borst hebben?

In Mythos vertelt Stephen Fry al die verhalen opnieuw, de bekende en de minder bekende. En natuurlijk is zo’n hervertelling niet nodig: het is een luxe. Een luxe om de Griekse godenverhalen in Fry’s stem te lezen, zodat ze klinken als een fantastische soap over een uitgestorven, mensachtige diersoort.

De Brit Stephen Fry is een multitalent. Hij werd bekend als komiek en speelde ook serieuze rollen in theater en film. Hij is quizmaster van het grappige QI en maakte een mooi tv-programma over manisch-depressiviteit, waaraan hij zelf lijdt. Hij schreef fictie en non-fictie én zijn memoires. Toen hij laatst bij De Wereld Draait Door over Mythos vertelde, bracht zijn betoverende monoloog Adriaan van Dis tot zwijgen.

Want o, die stem! Mythos is niet slecht vertaald, maar de Engelse versie heeft als bonus dat Fry’s stem erbij in je hoofd klinkt. Die prachtig brommerige, vriendelijke vertelstem in posh Engels. ‘Oh, must you really?’, verzucht Zeus als er weer eens een verliefde priesteres vraagt of hij haar wens kan vervullen – en je hóórt Stephen Fry. Je hoort hem met grote gretigheid vertellen.

Mythos is duidelijk geen boekje van een beroemdheid die louter probeert wat geld binnen te harken, voor wie zich dat nog afvroeg; het is een werk van liefde. Fry houdt van deze verhalen en vertelt ze met plezier, en op een manier die raakt. Als de vriendschap tussen Zeus en Prometheus op de klippen loopt, voelt dat echt droevig.

En Fry zit zélf in het boek. Je hoort hem genieten als hij vertelt dat zijn eigen eerste kennismaking met Terpsichore, de muze van de dans, was in de ‘Cheese Shop Sketch’ van Monty Python’s Flying Circus (1972). Je leest zijn manisch-depressiviteit terug als hij over de ellendige kinderen van Erebos (duisternis) en Nyx (nacht) schrijft: ‘de wereld lijkt nooit iets moois te kunnen bieden zonder ons ook met het tegenovergestelde op te zadelen’. En je ziet hem, als homo (en überhaupt als mens), zich verheugen dat deze godenverhalen behoren tot de schaarse fictie waar homoseksualiteit volop in voorkomt zonder meteen het onderwerp te zijn.

Zou een classicus foutjes in dit boek kunnen ontdekken? Misschien, maar dat is dan wel een zure classicus. Fry benadrukt steeds dat hij de mythen niet wil interpreteren of uitleggen, maar slechts vertellen en levend houden. Hij verwijst naar alternatieve vertellingen en naar oude en nieuwe bronnen voor wie meer wil lezen. Eigenlijk is het enige dat aan dit boek ontbreekt een register. Ja, en de verhalen over de Trojaanse Oorlog natuurlijk, maar hopelijk komen die nog in een apart boek.

    • Ellen de Bruin