Recensie

Frank Lodeizen, bijna opgeslokt door het zwart

Frank Lodeizen

In de geromantiseerde romantische biografie kruipt Rineke van Houten bijna in de huid van beeldend kunstenaar Frank Lodeizen. Hij trok op met de Vijftigers en leidde een tragisch leven.

Bewogen mag je het leven van beeldend kunstenaar Frank Lodeizen wel noemen. Rineke van Houten beschrijft in haar biografie Dichter van de droge naald hoe hij een leven lang werd voortgejaagd door de oorlog – hij ontsnapte ternauwernood aan concentratiekamp Sobibor, waar zijn familie omkwam.

De rusteloze Lodeizen (1931-2013), schilder, tekenaar en graficus, was chronisch uithuizig, ook in de rij gezinnen die hij stichtte. Kroeg, vriendinnen. Een tragische, bohémienachtige figuur, en maker van werken waarin het zwart (letterlijk) zo oprukte dat het de kunstenaar zelf dreigde op te slokken.

Uithuizigheid bracht Lodeizen in het Amsterdamse café Eijlders, een van de ontmoetingsplaatsen van de Vijftigers. Hij zou worden opgenomen in het vriendennetwerk van Campert, Hans Andreus, Lucebert, Schierbeek, Vinkenoog, etc. Men logeert bij elkaar, leent wederzijds geld, gaat samen met vakantie. Werk van Lodeizen duikt op in uitgaven van Carmiggelt, Lucebert en andere bentgenoten. We kunnen het in Rineke van Houtens boek allemaal van dichtbij volgen, naast haar Lodeizen-portret krijgen we een treffende indruk van de eerste kunstenaarsgeneratie van na 1945.

Dichter van de droge naald is gebaseerd op interviews (waaronder een groot aantal gesprekken met haar dan bejaarde hoofdpersoon) en bronnenstudie, zoals het een biograaf betaamt. Ze kruipt in haar boek zo ongeveer in de huid van Frank Lodeizen. Haar manier van vertellen doet sterk denken aan de vie romancée, de biografievorm waarin een leven in bellettristische vorm wordt gepresenteerd. Op zichzelf geen bezwaar, maar de geromantiseerde romantische levensbeschrijving kent gevaren. Gaat de biograaf bij voorbeeld niet met de hoofdpersoon aan de haal? En hoe kunnen we dat als lezer controleren?

Ook bij Van Houten (1958) vinden we in dit opzicht problematische passages. Als het bij voorbeeld gaat om een Zweeds Lodeizen-liefje: ‘De eerste keer dat ze uitdagend haar borsten toonde, hij zijn tong liet gaan over de harde, ver uitstekende tepels, zijn handen tussen haar dijen wrong en ze hem koerend en kreunend zijn gang liet gaan.’ Van wie zijn deze niet als citaat aangegeven woorden? Is dit de versie van Frank Lodeizen zelf, die het precies zo aan het tafeltje in de kantine van zijn bejaardenhuis aan zijn biografe dicteerde? Of Van Houtens eigen Zweden-romantiek?

Daarbij oogt haar biografie hier en daar nogal rommelig. Zweedse meisjes met zwierige rokken, we begrijpen Lodeizens fascinatie, maar is ‘in hun ogen een Strindbergiaans verlangen’ niet een toevoeging van de biografe? En hoe ziet dat verlangen er dan uit? August Strindberg was een verklaard vrouwenhater.

In hetzelfde Zweden-hoofdstuk (maar zulke verschijnselen doen zich gaande het hele boek voor) ontstaat verwarring als het gaat om wandel- of reisroutes. Vanuit haar romancée-perspectief probeert Van Houten een noordwaartse motorrit op te werken tot een reis naar het licht aan zee: ‘Ze waren met de boot overgestoken naar Helsingborg.’ Eenmaal in deze Zweedse kuststad gearriveerd, gaat Van Houten verder met: ‘Vervolgens waren ze noordwestelijk richting Zweedse kust gereden. En naarmate ze de kust naderden…’ De reis van een kust naar dezelfde kust: men is soms even onderweg.

Maar laten we niet te negatief doen. Want per slot laat Dichter van de droge naald zich met vaart en plezier lezen, en het meeslepende leven van Frank Lodeizen straalt beslist op het boek af.