Opinie

    • Michel Krielaars

Een strijder tegen valse waarheden

Het is alsof de mens nog altijd de voorkeur geeft aan valse waarheden boven de feiten.

Afgelopen maandag zat de Uilenburger synagoge vol historici. Ze kwamen afscheid nemen van hun vakbroeder Maarten Brands, die op 12 maart was overleden. De locatie van de plechtigheid, in het hart van de voormalige Amsterdamse Jodenbuurt, zal de boomlange geleerde postuum zijn bevallen: zijn denken werd voor een belangrijk deel bepaald door de Shoah, die voor hem een raadsel was gebleven.

In de synagoge waarde ook de geest rond van een andere grote historicus, Jacques Presser (1899-1970), die een straat verderop werd geboren in een arm Joods diamantbewerkersgezin. Als student in de jaren vijftig had Brands Pressers beroemde colleges bijgewoond over het land van Dichter und Denker, dat verworden was tot een land van Richter und Henker. Niet voor niets zou Duitsland zijn carrière als historicus bepalen.

In zijn herdenkingsrede (waarin de boeken- en krantenberg in Brands’ huis een vermakelijke rol speelde) noemde weer een andere grote historicus, emeritus-hoogleraar Piet de Rooy, het artikel ‘Geschiedenis en engagement’, dat zijn overleden vriend en collega in 1977 had gepubliceerd. Hierin verdedigt Brands de geschiedswetenschap tegen subjectieve oordelen, die een vals beeld van het verleden geven. Thuisgekomen begon ik het te lezen, want het staat in Het arsenaal van de geschiedenis, een van de twee dikke delen met Brands’ verzamelde artikelen en essays, die in 2013 ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag verschenen en in mijn boekenkast prijken.

Al op de eerste bladzijde viel ik bijna van mijn stoel van verbazing, zo actueel en visionair was alles wat Brands beweerde. Alsof de mens sinds 1977, een tijd die gedomineerd werd door felle discussies over de wapenwedloop tussen Oost en West, nog altijd weinig heeft geleerd en het liefst valse waarheden boven de feiten stelt. Zie de huidige discussie over het slavernijverleden, waarin de feiten ondergesneeuwd raken door emoties, morele verontwaardiging en slachtofferschap. Tranen worden zo als wapens gebruikt om het handelen van vroegere generaties te veroordelen en op die manier een valse waarheid te creëren, terwijl onderzoek van degelijke historici wordt verketterd. Brands zag in 1977 iets vergelijkbaars gebeuren toen hij behalve het heersende wantrouwen tegenover de feiten, ook dat jegens de ‘armchair scientist’ signaleerde, die zou collaboreren ‘met onderdrukking en uitbuiting’. Wat dat betreft is de geschiedenis cyclisch.

Een goed voorbeeld van zo’n valse waarheid las ik in Daverende dingen dezer dagen, de nieuwe essaybundel van H.L. Wesseling, die in april verschijnt en waaruit ik nu al iets verklap. In het essay ‘Stalins gewillige beulen’ heeft de Leidse historicus het over de jarenlange ontkenning van het feit dat de massamoorden van Stalin en Mao die van Hitler overtreffen. Zo hield de linkse Amsterdamse socioloog W.F. Wertheim tot aan zijn dood in 1998 vol dat Mao slechts 35.000 slachtoffers op zijn conto had en geen twintig miljoen, zoals de feiten aantonen. En dan citeert Wesseling, een meester van de ironie, de sinoloog Erik Zürcher, die zich in 1993 probeerde te verplaatsen in de hoofden van die Mao-Versteher: ‘Ja, ja, schitterend! Wat een vreugde die domheid! Ik heb zelden zo gelachen als tijdens de Culturele Revolutie, hoe tragisch het ook was. Er kwamen twintig miljoen mensen om!’

Even was het alsof ik Brands van over het graf instemmend hoorde bulderen van het lachen.

    • Michel Krielaars