Recensie

Blijven buigen voor de terreur

Fernando Aramburu

De roman Vaderland van deze Baskische schrijver is een ongekende bestseller. Op weergaloze wijze wordt het lot beschreven van het verscheurde Baskenland.

Graffiti van het logo van de Baskische afscheidingsbeweging ETA op een muur in Alsasua, in Noord-Spanje, kort voor het afkondigen van de wapenstilstand, maart 2006 Foto Pablo Sanchez/REUTERS, bewerking NRC

‘De eerste brief die ik van de ETA kreeg was van rond 1990. Ze stuurden hem naar mijn huisadres en mijn vrouw maakte hem open. Dat maakte de zaken ingewikkelder. Drie of vier dagen later vroeg ze me: „Miguel, wat gaan we doen? Heb je met iemand gesproken?” We hebben huislijk beraad gehouden, om op één lijn te komen en zodat we ons niet alleen zouden voelen staan. We vormden een gesloten front.’

In juli van het afgelopen jaar liet het Spaanse dagblad El País een aantal Baskische ondernemers aan het woord die in de tijd van de ETA-terreur door die organisatie waren afgeperst. ‘Revolutionaire belasting’ heette dat, en je kon haar maar beter betalen als je leven je lief was. Veertig ondernemers deden dat niet en werden vermoord. Negenenveertig anderen werden gekidnapt en pas tegen losgeld weer vrijgelaten.

De industrieel Miguel Lazipiur, die hier in El País aan het woord is, had geluk. Hij hield zijn poot stijf en overleefde het. Maar het geld was niet het belangrijkste, zo beklemtonen ook de andere geïnterviewden. Veel erger was het isolement waarin iemand terechtkwam die zich niet naar de wensen van de ETA plooide. Vooral in de dorpen was de sociale controle verstikkend en het gewelddadig nationalisme had alle troeven in handen. Angst en een maffia-achtige zwijgcode deden de rest.

De woorden van Lazipiur hadden afkomstig kunnen zijn uit de roman Vaderland waarmee de Baskische schrijver Fernando Aramburu (San Sebastian, 1959) sinds een kleine twee jaar in Spanje het ene na het andere verkooprecord breekt. De teller heeft inmiddels de 700.000 exemplaren overschreden en is nog lang niet tot stilstand gekomen. Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling. De Italiaanse, Portugese en Duitse verschenen al eerder, de Engelse en Franse zijn aangekondigd. HBO heeft laten weten het boek als tv-serie te willen verfilmen.

Dat is een overdonderend succes voor een sinds decennia in Duitsland woonachtige schrijver, wiens acht eerdere romans gewoonlijk welwillend werden ontvangen maar nooit veel ophef veroorzaakten. Maar de wijze waarop Aramburu het Baskische conflict in zijn roman heeft weten op te roepen, heeft een diepe snaar geraakt. Nog altijd zijn de ‘loden jaren’ van de ETA-terreur een nationaal trauma in Spanje, en in Baskenland in het bijzonder. In ruim veertig jaar tijd vermoordde de ETA 829 mensen en wist ze het sociale, politieke en economische leven in Baskenland grondig te ontwrichten. Met een verwerking van die periode en het helen van de geslagen wonden is nog maar nauwelijks een begin gemaakt.

De centrale figuur in Vaderland, de transportondernemer Txato, zou de fictieve tegenhanger van Miguel Lazipiur kunnen zijn – op het feit na dat hij zijn onwil de ‘revolutionaire belasting’ te betalen níet overleeft. Die afloop behoeft geen spoiler alert. Aramburu windt er na een paar bladzijden in de roman al geen doekjes om. Belangrijker is in de roman de vraag hoe het zover heeft kunnen komen en hoe het, na het staken van het geweld, nu met Baskenland verder moet.

Kemphanen

Twee families staan in Vaderland model voor de verscheurde regio: die van de vermoorde ondernemer, en die van de jonge ‘vrijheidsstrijder’ die bij de moord betrokken was. Ooit waren die families dik bevriend, nu staan ze vol haat als kemphanen tegenover elkaar. De vermoorde Txato mag dan de centrale figuur in het drama zijn, de eigenlijke hoofdfiguren zijn de vrouwelijke gezinshoofden: de weduwe van Txato aan de ene kant, de moeder van ‘etarra’ Joxe Mari aan de andere. Tussen die twee emblematische figuren wordt in de roman symbolisch het lot van Baskenland uitgevochten.

Het is niet moeilijk de meeste sympathie te voelen voor Bittori, de weduwe van Txato, al heeft ook zij haar nukkige en onverzettelijke kanten. Nadat de ETA heeft aangekondigd de wapens neer te leggen, keert zij terug naar het dorp dat zij na de moord had ontvlucht, vastbesloten om te achterhalen hoe deze gepleegd is en door wie. Zelfs haar twee kinderen begrijpen haar koppigheid niet helemaal. Alleen tegenover haar man, wiens graf ze trouw bezoekt, stort ze haar hart uit. Nog altijd kijkt het dorp haar met scheve en wantrouwende ogen aan. Wat moet ze, waarom laat ze de zaak niet rusten? Of zoals haar vroegere hartsvriendin Mirem zegt: ‘Nu er geen gewapende strijd meer is, worden ze natuurlijk brutaal.’

Zo hartverscheurend als dat klinkt, zo hard is Mirem ook geworden. Haar oudste zoon is via nationalistische jeugdbendes en hun routinematige straatterreur bij de harde kern van de ETA terechtgekomen, en dan gaat het snel. Mirem kiest onvoorwaardelijk voor hem, zelfs (of misschien wel vooral) nadat hij is opgepakt en veroordeeld tot een vrijwel levenslange gevangenisstraf. Haar andere kinderen en vooral haar man (ooit Txato’s fiets- en boezemvriend) krijgen het te verduren: nooit zijn zij revolutionair, separatistisch, Baskisch genoeg. Elke drogreden is goed om het terroristische geweld te rechtvaardigen.

Geen wonder dat Aramburu er minder goed in slaagt van Mirem een aansprekende figuur te maken dan van Bittori. Haar onverbiddelijkheid en haar wreedheid zijn moeilijk te bevatten, zelfs als je rekening houdt met de argumenten en excuses die zij aanvoert. Ook in dat opzicht windt Aramburu er geen doekjes om: de strijd tégen de ETA werd ook door de staat niet zachtzinnig of met veel gevoel voor wettigheid gevoerd.

Toen de transitie een nieuw, democratisch Spanje inluidde, zag de ETA daarin alleen maar aanleiding om haar activiteiten op te voeren. Onder leiding van de jonge Spaanse premier Gonzalez riep de regering een contra-terreur in het leven die er op zijn beurt lustig op los begon te moorden. Hoe begrijpelijk ook (kort daarvoor had het nog nauwelijks hervormde leger een poging tot staatsgreep gedaan en ETA deed er alles aan om juist de militairen te provoceren): die beslissing was een misdadige politieke misrekening en Spanje heeft er zwaar voor moeten boeten. Ze gaf de ETA in sommige ogen alsnog het morele gelijk terug dat ze onder Franco in progressieve kringen had gehad.

Lees ook het NRC-interview met Fernando Aramburu: ‘Nationalisme is als een vlam die nooit helemaal dooft’

Toch is het wrang te zien hoe ETA-gezinde kringen zich vooral na afloop van het conflict in de rol van het eigenlijke slachtoffer hebben gemanoeuvreerd. In haar vorig jaar verschenen boek Retour San Sebastian (De Bezige Bij) gaf de Vlaamse cultuurwetenschapster Sarah De Mul daar min of meer ongewild een goed voorbeeld van. Wanneer zij in het Europese Parlement een bijeenkomst bijwoont over het Baskische vredesproces, legt een vrouw wier broer door de ETA gedood werd, een aangrijpende verklaring af. Die slaat in als een bom, maar, zo schrijft De Mul, ‘op het projectiescherm vooraan in de congreszaal prijkte de portretfoto van [de sindsdien vrijgelaten ETA-militant] Arnaldo Otegi, die attendeerde op de honderden gevangenen en ballingen die in Baskenland eveneens werden gemist.’

Die gelijkstelling van onschuldig vermoorden aan hun nog altijd levende moordenaars maakt in de roman ook Mirem, de belichaming daarvan, zo moeilijk te doorgronden. ‘Op dit moment gaat het alleen nog maar over het vredesproces’, zo zegt zij tegen het einde van het boek, ‘en dat we de slachtoffers om vergeving moeten vragen. In geen honderd jaar. Of zijn wij soms geen slachtoffers?’

Mannetjesputterscultuur

Alsof Aramburu Mirem op de valreep nog een sympathieke trek wil meegeven, laat hij haar tegen het slot van het boek verschijnen op het huwelijk van een van haar zoons, die als homoseksueel (in de Baskische mannetjesputterscultuur zo ongeveer het ergste wat denkbaar is) gebruikt maakt van de verruiming van de Spaanse huwelijkswet. Overtuigend is dat nauwelijks en bijna gaat Aramburu dan in onverwachte sentimentaliteit over de kop.

Maar hij maakt het in de laatste zinnen van zijn roman ruimschoots goed met een even onderkoeld als weergaloos slot dat beter in lijn is met dit harde boek en ik dit keer níet zal verklappen. Wie het boek openslaat komt er vanzelf wel bij uit, want de vaart, spanning en aangrijpende psychologie maken het moeilijk deze pageturner weg te leggen.

Zo indringend schrijft Aramburu dat je aanvankelijk de indruk hebt een nogal traditionele realistische roman in handen te hebben. Pas op het tweede gezicht blijkt hoe knap Aramburu heen en weer springt in het tijdsperspectief zonder dat de lezer ook maar één moment het spoor bijster raakt. Moderne verteltechnieken gaan in deze roman moeiteloos samen met een moreel-politiek drama dat op indrukwekkende wijze laat zien waarin literatuur nog altijd betekenisvol kan zijn. Vaderland gaf op het juiste moment antwoord op de vraag wat er in Baskenland nu eigenlijk gebeurd is en hoe het verder moet.

Daarin staat het boek niet alleen. Met haar roman Mejor la ausencia (Beter afwezig) beschreef de vorig jaar gedebuteerde Baskische schrijfster Edurne Portela de ‘loden jaren’ van Baskenland door de ogen van een opgroeiend meisje. En eerder al doorbrak de filmkomedie Ocho apellidos vascos (Acht Baskische achternamen) het verbeten stilzwijgen met humor. Eindelijk kon er over het conflict ook gelachen worden: tot verontwaardiging van sommigen, maar tot opluchting van velen. Het werd de meest bekeken film uit de hele Spaanse bioscoopgeschiedenis.

Wie nog mocht denken dat de romankunst dood is en haar relevantie heeft verloren, wordt door Vaderland uit de droom geholpen. Verhalen antwoorden op morele en politieke impasses, en verhalen vertellen kan een romancier als Aramburu als geen ander. Niet dat de problemen daarmee zijn opgelost of nationalistische waanzin niet opnieuw zal toeslaan. In Catalonië wordt op dit moment een conflict aangezwengeld dat Baskenland nu juist probeert af te sluiten, en of geweld daarbij uit zal blijven is – zo zei Aramburu in een interview – allerminst gegarandeerd. In Baskenland zal het nog generaties duren voordat de wonden die daardoor geslagen werden zullen zijn geheeld. Deze weergaloze roman vormt een belangrijk moment in dat genezingsproces.