In hippere kringen krijgt deze fotograaf nog steeds niet echt erkenning

Zwart-witfotografie De foto’s van Dirk Braeckman laten de toeschouwer in twee Belgische musea ronddwalen in onalledaagse ruimtes, bijna als een geest.

Werk van Dirk Braeckman in het Brusselse Museum Bozar. Foto Sarah Bruyninckx

Drie golfjes. Ergens op de Dirk Braeckman-dubbeltentoonstelling in Brussel en Leuven hangen drie typische Braeckman-foto’s naast elkaar. Alle drie zijn ze groot, uitgevoerd in zwart-wit met veel zachte grijstonen en alle drie tonen ze een golfje – zo’n golfje dat op een zomerse namiddag terloops op het strand aanspoelt terwijl de zon in het water kaatst en de zuurstofbubbels die boven het zand zweven door datzelfde licht worden ontmaskerd als minuscule witte bolletjes. Het punt is: elk van de drie foto’s lijkt een andere levensfase van het golfje te tonen. Dat komt door het verschil in licht. Op de linker foto is dat helder en stralend, op de middelste donkerder alsof er een wolk voor de zon is geschoven, op de derde zijn de schuimkoppen rechts op het golfje zo grijs dat ze bijna verdwijnen – alsof het al een uurtje later is en het licht zijn intensiteit heeft verloren.

Maar het is precies dezelfde foto natuurlijk. Of beter: precies hetzelfde moment. Braeckman speelde bij het afdrukken van het negatief met de intensiteit van het licht, met de afdruktijd en nog zo wat klassieke analoge fotografische technieken. Zo ontstaat er een vreemde spanning: hij benadrukt aan de ene kant de uniciteit van het specifieke moment (een halve seconde later zijn de bubbels al anders), tegelijkertijd relativeert hij het belang van datzelfde moment. Is een van deze drie beelden de waarheid? Of laten deze foto’s juist zien dat het het ultieme voorrecht van de fotograaf is om de waarheid naar zijn hand te zetten?

Het fundament van de fotografie

Eigenlijk was ik naar Brussel en Leuven getogen omdat ik al een tijdje ben gefascineerd door de legitimiteit van hedendaagse zwart-witfotografie. Om misverstanden te voorkomen: natuurlijk is zwart-wit het fundament van de fotografie, het is erin uitgevonden, de eerste honderd jaar waren alle foto’s in zwart-wit en je kunt zwart-wit nog steeds heel goed gebruiken als je iets wilt zeggen over licht en vorm en contrast – vooral abstracte, vormtechnische observaties zijn er zeer bij gebaat. Maar sinds de uitvinding van de kleurenfotografie is zwart-wit ook een keuze geworden – een keuze waarvan je dus hoopt dat die wordt gemaakt op inhoudelijke of vormtechnische gronden.

B.J.-D.U.-12 2012 (180 x 120 cm) edition of 3, gelatin silver print. Foto Dirk Braeckman

Dat is vaak niet het geval: of het nu gaat om licht-pretentieuze amateurs of om professionele fotografen als Braeckman, Stephan Vanfleteren en Tom Callemin (het zijn opvallend vaak Belgen): zwart-wit is bij hen geen onderdeel van de inhoud, maar oppervlakte, een laag saus die het gebrek aan ideeën en inhoudelijke verfijning van de fotograaf moet verbloemen. Die saus is bovendien zo dominant dat het persoonlijke van het onderwerp en de modellen onzichtbaar wordt. Je ziet alleen de dwingende, monotone stijl van de fotograaf, de grove korrel, het zware contrast, de diepe schaduwen – een vorm-truc is het, net zoals veel Nederlandse fotografen (Hendrik Kerstens, Marie-Cécile Thijs, Suzanne Jongmans en vele anderen) zeventiende-eeuwse geschilderde portretten imiteren, soms met een licht-ironische contemporaine draai om hun werk een zweem van relativering mee te geven. Zulke ironie vinden de zwart-witfotografen niet nodig: zij beschouwen hun vorm als vanzelfsprekend, de hint naar de wortels van het medium rechtvaardigt hun gemakzucht. Maar het is natuurlijk kitsch, op dezelfde manier als die pittoreske koetsjes-met-paard die door Amsterdam rijden: de band met het verleden is inhoudsloos en nep. Het is terugkijken bij gebrek aan toekomst.

Of had ik het mis?

Misschien te vooringenomen

Braeckmans dubbeltentoonstelling in Bozar in Brussel en Museum M in Leuven is gebaseerd op zijn presentatie in het Belgische Paviljoen op de laatste Biënnale van Venetië. Daarvan herinner ik me vooral een verzengende witheid: het paviljoen was zo hard-wit geschilderd en het licht zo fel dat het me niet lukte om me op Braeckmans foto’s te concentreren. Wel zag ik bij verschillende gelegenheden zijn foto’s van jonge meisjes en daar ging het meteen mis: Braeckmans combinatie van schemerig zwart-wit, jeugd en kokette poses doet nog het meeste denken aan een zwart-witte David Hamilton – de grootste sausmaker uit de fotohistorie. Onderweg naar Brussel begon ik te twijfelen, misschien was ik wel te vooringenomen en had ik niet moeten gaan.

L.V.-V.L.-(3)-2016 2016 (180 x 120 cm) 1/1, gelatin silver print. Foto Dirk Braeckman

Maar toen gebeurde dus het omgekeerde: Braeckman raakt. Dat komt in de eerste plaats doordat zijn vrouwenfoto’s op deze tentoonstellingen zo goed als afwezig zijn (wat een goede vrouwelijke curator, de Belgische Eva Wittocx, al niet kan doen). Maar belangrijker: als Braeckman geen vrouwen fotografeert, vindt hij wel degelijk een prikkelende balans tussen vorm en inhoud. Dat begint er al mee dat, net als op de genoemde golfjes-foto’s, het onderwerp steeds minder belangrijk lijkt te worden – een gordijn, een tegelvloer, een stuk muur. Het zijn vooral aanleidingen voor bijna-abstracte studies naar licht en tijd. En daar wordt het pas écht interessant. Want waar oude, modernistische zwart-witfotografen als Kertész en Man Ray vooral abstracte vormen signaleerden in de concrete werkelijkheid (vaak geïnspireerd door Cézanne) doet Braeckman het omgekeerde: hij neemt vage, nauwelijks herkenbare glimpen werkelijkheid om je te wijzen op de manier waarop fenomenen als licht en vorm en diepte zulke onbeduidende objecten juist betekenis kunnen schenken. Braeckmans objecten en ruimtes komen je vaak bekend voor, maar slechts deels uit het leven van alledag: het is alsof ze uit een droom komen, een soort ‘tussentijd’ waar andere wetten van tijd en ruimte gelden. Het is zelfs alsof je in die verstilde momenten kunt rondlopen, alsof je kunt dwalen door zijn ruimtes, terwijl je óók weet dat je er niets mag aanraken omdat je dan de magie van die vreemde dimensie verstoort. Dat klinkt nogal verheven, maar het is vast niet voor niks dat Braeckmans foto’s sterk doen denken aan het fenomeen van de negentiende-eeuwse geestfotografie – alleen: hier ben jij, de toeschouwer, de geest geworden die in de ruimtes ronddwaalt.

B.J.-D.U.-12 2012 (180 x 120 cm) edition of 3, gelatin silver print. Foto Dirk Braeckman

Weg van alledag

En inderdaad: natuurlijk zijn Braeckmans foto’s daarmee óók romantisch, zeg maar gerust nostalgisch – zijn werk voert je eerder naar het verleden dan naar de toekomst, ongetwijfeld de reden waarom zijn werk in hippere kringen nog steeds moeilijk erkenning vindt. Ik vind dat niet zo’n bezwaar: goede kunst moet je iets laten zien dat je nog niet kende. Dat is precies wat Braeckman doet: hij voert je weg van de wereld van alledag, naar een veilige, abstracte, geestrijke ruimte – maar die is zo anders dat hij je óók bewust maakt van de kracht en de invloed van licht en vorm op het normale leven. Toen ik dat stond te bedenken, besefte ik ineens dat de manier waarop Braeckman zwart-wit en analoog gebruikt precies de manier is waarop zulke fotografie nog steeds belangrijk is: niet door het te gebruiken als gemakzuchtige stijl-saus, maar door je een wereld in te voeren waar een andere logica heerst, nieuwe ruimtes staan, nieuwe mogelijkheden liggen. Ineens sta je in een nieuwe tijd, terwijl die toch al achter je ligt.

    • Hans den Hartog Jager