Opinie

    • Joyce Roodnat

Groots grienen, ogen om een hoekje

Joyce Roodnat Het staatsieportret, de mens ten voeten uit, is een maximaal statement. Joyce Roodnat ziet het in de dans van Krisztina de Châtel en in het Rijksmuseum.

Paolo Veronese: links gravin Livia da Porto Thiene en haar dochter Deidamia; rechts graaf Giuseppe da Porto en zijn zoon Adriano.

Filmkijken is dubbel enerverend met het onderwerp van de film erbij. Ik zit naast Krisztina de Châtel, choreografe en levende legende. In de film die we zien vertelt ze dat ze als 17-jarige door haar vader in elkaar werd geslagen. Dat doet ze beheerst, afgepast, met minimale middelen. Zij zag de film al, ze weet wat ze heeft verteld. Maar teruggeschoten worden naar je pijn op een filmscherm van 5,15×14,25 meter – dat is iets anders. Ik kijk opzij. Ze huilt.

Honderden handen applaudisseren. Dit is het Cinedans-festival en de bedoeling is dat ik nu haar en de filmmakers ondervraag over de film. „Wil je wel?”, vraag ik, want ze huilt nog steeds en voor mijn part blaas ik het af. Ze zegt: „Natuurlijk.” Ze neemt plaats, kijkt de zaal in, pakt de microfoon en benoemt meteen dat ze zit te „grienen” (geweldig woord in haar Hongaars getongvalde Nederlands) en waarom en dat de agressie van haar vader heeft bepaald dat ze niet in Boedapest een van Europa’s doorslaggevende dansmakers werd, maar in Amsterdam.

De film start met een shot van een jonge De Châtel, in een vertoon van de macht van minimal choreografie. Ten voeten uit gefilmd, draait ze om haar as. Je van hoofd tot voeten presenteren, dat is een maximaal statement: dit ben ik, zo kijk ik, dit ben ik waard. Het beeld is De Châtels staatsieportret – dat realiseer ik me in het Rijksmuseum, waar ik High Society bezoek, een magnifieke tentoonstelling van staatsieportretten. Al deze schilderijen bestaan om glorie uit te dragen, te beginnen met de tastbare weelde van uitzinnige fashion-statements. (Heb het eindelijk durven vragen: wat zit er in die peniskokers? Vulsel, zei de kunsthistorica). Maar ze imponeren ook met iets onzichtbaars. Ze lijken realistisch maar dat zijn ze nooit. Altijd creëert de schilder een stukje theater met de geportretteerde in de hoofdrol. Meestal gebeurt dat klinkklaar: met deze macht valt niet te spotten. Soms niet. Zo ademt Kees van Dongens portret van de gravin van Noailles grandeur, maar het spreekt van de lust tot lak aan conventies.

En dan zie ik Paolo Veroneses dubbelportret van een adellijk echtpaar uit Vicenza, uit 1552. Subliem geschilderd, met tedere tinten. En met het inzicht om de twee portretten samen te smeden in een vierhoek van blikken. Op het rechter schilderij kijkt de graaf ons in de ogen. Aan zijn arm hangt zijn zoontje, hij kijkt om een hoekje naar zijn zusje op het andere schilderij. Zij kijkt weer, gekoesterd door de arm van de gravin, naar ons. Haar moeder niet, die zoekt met haar ogen naar haar man, op het andere schilderij. Dit is groots theater, het toont wat het staatsieportret vermag. Het roept rijkdom op en machtsvertoon. Het suggereert een gezegend huwelijk. Maar daaronder knipoogt het noodlot, in vier paar ogen die rondtollen zonder elkaar te vinden.

    • Joyce Roodnat