De drift en de kluisters van het geweten

Ewoud Sanders

Het verschijnsel pornografie is in Nederland ouder dan het woord zelf. Dat wil zeggen: het woord maakte in het Nederlands pas opgang in de negentiende de eeuw, terwijl de oudste pornografische werken hier al in de zeventiende verschenen. Vijfhonderd erotische boeken en tijdschriften zijn vanaf donderdag te zien in het Museum Meermanno in Den Haag, op de tentoonstelling Porno op papier, taboe en tolerantie door de eeuwen heen.

Het oudste boek daar is Spiegel der alderschoonste cortisanen deses tyts uit 1631, een vertaling van een Frans boek over prostituees. Een van de topstukken is D’openhertige juffrouw uit 1680, een Nederlands boek over prostituees, dat is vertaald in het Frans, Duits en Engels.

Vanwege de vrijheid van drukpers speelde Nederland lang een centrale rol in de distributie van erotische werken in Europa. Buitenlandse uitgevers vestigden zich hier en verscheepten hun erotische uitgaven naar het buitenland.

Opmerkelijk is dat er lang geen verzamelnaam voor deze vorm van lectuur bestond. In een toonaangevend juridisch weekblad kwam het woord pornografie in de negentiende eeuw niet voor. In kranten duikt het in 1874 voor het eerst op. Het Algemeen Handelsblad noemde de Franse schrijver Alexandre Dumas junior toen „de groote man van een bijzonder genre in de litteratuur, dat aan de ongezonde hitte van de broeikas herinnert en ‘pornographie’ genoemd is”.

Omstreeks die tijd begon de betekenis van het woord te veranderen. Het is gevormd uit de Griekse woorden pórnè (‘prostituee’) en graphos (‘schrijver’); oorspronkelijk werd er een schilderij, standbeeld of boek mee bedoeld dat het leven van prostituees verbeeldde. In het laatste kwart van de negentiende eeuw breidde de betekenis zich uit naar een werk dat de lezer of kijker erotisch probeerde te prikkelen. Die associatie leidde aan het begin van de twintigste eeuw tot een nieuw woord dat inmiddels alweer in onbruik is geraakt: prikkellectuur.

Volgens sommigen beleven wij momenteel een kuisheidsgolf, mede onder invloed van de #MeToo-beweging. Nederland kende ook zo’n golf, die op 20 mei 1911 leidde tot de zogenoemde Zedelijkheidswet. Daarin werd onder meer bepaald dat Nederlanders wel pornografie mochten bezitten, maar dat die niet mocht worden geproduceerd – een vorm van gedogen die doet denken aan het huidige softdrugsbeleid.

Het probleem was dat men moest vaststellen wat nu precies onder pornografische lectuur werd verstaan. Het ‘Bureau ter bestrijding en Verdringing der Prikkellectuur’, opgericht in 1911, hanteerde op een gegeven moment als definitie: „Een lectuur waardoor een lustgevoel opgewekt wordt, gepaard gaande met een onaangename sensatie.” Deze lectuur zou namelijk prikkels opwekken waardoor „de drift wil ontsnappen aan de kluisters van het geweten”.

Aanvankelijk rekende men ook ‘misdaad- en avontuurverhalen’ tot de prikkellectuur, later vooral expliciet erotische werken. Het ‘Rijksbureau betreffende de bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen en van den handel in ontuchtige uitgaven’ stelde tussen 1932 en 1943 vier lijsten met verboden boeken op, met honderden titels. Er stonden titels tussen die soms al decennialang probleemloos in boekhandels waren verkocht en door bibliotheken waren uitgeleend, zij het dat sommige bibliotheken ze op een speciale plank hadden staan. Ook van die boeken zijn vanaf donderdag exemplaren te zien in Den Haag.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders