Opinie

    • Frits Abrahams

Beschaafd causeur

Om even aan de kleumkou te ontsnappen, vluchtte ik met mijn vrouw een restaurant aan het Rembrandtplein binnen. Dit was hét weer voor bitterballen, zes stuks, niet minder, maar ook niet méér, anders neemt de weegschaal een dag later wraak.

We zaten aan het raam, een soort stalles dus en een ideale plek om een stoet van zeer diverse hoofddeksels gade te slaan. Door motten aangevreten bontmutsen, kinderachtige pluimconstructies, voor bankovervallen geschikte capuchons – alles was toegestaan mits het de kou maar weerde.

Ik keek om me heen. Vrijwel alle tafeltjes waren bezet door druk pratende mensen, onder wie ongetwijfeld veel buitenlandse toeristen. Er was maar één man die moederziel alleen zat, bij een tafeltje aan de zijkant. Hij moest in de tachtig zijn, vermoedelijk zonder partner die streng toezicht hield op zijn uiterlijk. Hij droeg een verschoten ruitjescolbert en een stoffige broek boven afgetrapte schoenen. Zijn schedel was bloot, op één lange, dwarse haarsliert na.

Onderuitgezakt, een kop koffie voor zich op het tafeltje, las hij een boek. Pas een minuut of tien later zag ik dat hij nog steeds in dezelfde stand zat. Hij sliep. En diep. Waarom ook niet: op die leeftijd kan de slaap op de meest ongelegen momenten toeslaan.

Wat te doen? Hem wakker maken om verder decorumverlies te voorkomen? Het leek me niet míjn taak. Als het bedienend personeel het vervelend vond, moesten zij maar ingrijpen. Maar liever niet: slaap is een kostbaar goed voor de oudere mens. Misschien had hij er de afgelopen nacht wel wanhopig naar verlangd. Bovendien, wie is er onschuldiger dan een slapend mens?

De bitterballen kwamen me afleiden, gelukkig waren ze van mijn geliefde merk. (Wees altijd voorzichtig met bitterballen uit ‘eigen keuken’.) Toen ik weer naar de oude man keek, was hij ontwaakt. Toch zat hij in vrijwel dezelfde stand, hij had alleen zijn boek op het tafeltje gelegd. En, wat veel opmerkelijker was: hij praatte, want hij had gezelschap gekregen. Ik kon niet zien van wie, omdat zijn positie nu voor een deel aan mijn oog onttrokken werd door een gezelschap aan een belendend tafeltje. Ik zag wel dat hij met overtuiging praatte. Hij gesticuleerde, maar nooit overdreven, hij keek soms even naar buiten alsof hij de goede formulering zocht, en hij kon ook halverwege een zin plotseling ophouden om fronsend naar de ander te luisteren, waarna hij zijn zin met een licht schouderophalen hernam.

Kortom, een beschaafd causeur.

Maar was het nou een man of een vrouw die tegenover hem zat? Of een kind? Ik werd steeds nieuwsgieriger en besloot op onderzoek uit te gaan. Ik liep zo onopvallend mogelijk naar de leestafel die achter hem stond. Vanaf die plek kon ik goed zien wie er tegenover hem zat.

Niemand.

Misschien is stilte wel onze beste gespreksgenoot. Je organiseert je eigen tegenspraak en je wint elke discussie. Ik liep voorzichtig langs hem heen en stelde vast dat hij geen enkel geluid voortbracht. Hij praatte in zichzelf en tegen zichzelf. Zijn leven was één grote stiltecoupé geworden.

Ook toen ik weer achter mijn eigen tafeltje zat, kon ik mijn ogen niet van hem afhouden. Misschien zag ik iets bekends in hem, iets wat ik zelf ook kon worden.

    • Frits Abrahams