De zanger van Claw Boys Claw wil altijd ergens de beest uithangen

Claw Boys Claw

Al 35 jaar maakt de band dwarse rock. Ook op het nieuwe album. Zanger Peter te Bos: „Ik ben een losgeslagen projectiel.”

Claw Boys Claw: Jeroen Kleijn (links), Peter te Bos, Marcus Bruystens en John Cameron. Foto Andreas Terlaak

In de vijfendertig jaar van hun bestaan, verwierf de Amsterdamse rockband Claw Boys Claw geen sterrenstatus, maar wel een hartstochtelijke aanhang. Thuis, aan de keukentafel, vertelt gitarist John Cameron (55) over een Belgische fan die naar elk optreden kwam. „Hij droeg een jas, gemaakt van stukjes stof die hij bij concerten van onze kleren afgescheurd had.”

Zanger Peter te Bos (67): „En we hebben ‘Claw Boy Dicky’, uit Drenthe, die sinds onze begindagen alles van de band heeft verzameld, en zijn hele lichaam heeft onder getatoeëerd met onze portretten.”

Cameron: „Ik op zijn been, Peter op zijn rug. Hij was juist op weg naar de tatoeëerder om het gezicht van onze drummer Marc Lamb te laten zetten, toen we hem belden dat Marc uit de band stapte. Hij zei: ‘Maakt niet uit, ik vind hem een goede gast. Ik zet hem erop.’”

Onlangs verscheen het elfde album van Claw Boys Claw. It’s Not Me, The Horse Is Not Me – Part I is opnieuw een vingeroefening in het zompige rockgenre: in nummers als ‘Suck Up The Mountain’ en ‘Seaweed’ horten en stoten Camerons gitaarriffs; de overslaande zangstem van Peter te Bos bijt naar je broekspijpen als een opgewonden hond. In een ballade als ‘Echo Echo’ laat de groep horen dat ook een garagerocker teder kan klinken.

Na enkele bezettingswisselingen, spelen Te Bos en Cameron nu samen met drummer Jeroen Kleijn en bassist Marcus Bruystens. Claw Boys Claw heeft zich in de loop van de jaren ontwikkeld, zeggen de oprichters. Cameron: „Wij zijn inmiddels andere mensen dan toen, rustiger misschien.” Te Bos en Cameron zitten aan dezelfde tafel waaraan ze samen regelmatig zitten te musiceren. Hier improviseren en schaven ze tot er genoeg nieuwe melodieën zijn om een album op te nemen – zo gaat het al drie decennia.

Cameron speelt nog elke dag gitaar. „Ik doe eigenlijk al 35 jaar hetzelfde: proberen om met dezelfde twee of drie akkoorden, een nieuwe combinatie te bedenken. Het blijft me prikkelen om toch weer iets anders te creëren.”

Met die twee of drie akkoorden ontstaan subtiele varianten, zoals de surfgitaren op Hammer (2013), of de loeiende rock-’n-roll-echo op It’s Not Me… – maar de stijl van Claw Boys Claw klinkt altijd vertrouwd. Zelf omschrijven ze hun nummers als ‘echte liedjes’ – met een dwarse opbouw.

Te Bos: „Toen bassist Marcus bij ons begon, noemde hij het de typische Claw-Boys-aanpak. Hij kon het niet uitleggen, maar hij vond dat het op een eigen manier wringt.”

Cameron: „Het heeft te maken met timing. Traditionele rockliedjes zijn vaak opgedeeld in vieren, bij ons gebeurt het dan na vijf keer.”

Te Bos: „In ‘Echo Echo’ bijvoorbeeld zit een instrumentaal intermezzo. Dat zou bij anderen waarschijnlijk twee of vier maten duren. Hier duurt het drie maten. Markus zei, het klopt niet. Maar voor ons voelt het organisch. En tegen de luisteraar zeggen we: ‘sterkte ermee’.”

Na een paar try-outs en sessies in een oefenruimte (Cameron: „Altijd zo kort mogelijk”), is Claw Boys Claw nu op tournee.

Live staat Peter te Bos bekend om zijn uitdagende gedrag. Tijdens een optreden op Pinkpop gooide hij ooit de naar hem geworpen sinaasappelen en appels terug het publiek in, met zijn eigen schoenen en sokken erachteraan. In het verleden hield hij Cameron tijdens het spelen ondersteboven, of hij schopte het drumstel uit elkaar. Te Bos: „Ik had de gewoonte om een microfoonstandaard stuk te slaan op de bekkens, maar onze huidige drummer Jeroen is zuinig op zijn drumstel. Dus dat mag niet meer.”

Tussen zijn zangpartijen door loopt Te Bos te loeren of hij ergens de beest kan uithangen. Want, zegt hij, er moet altijd iets gebeuren wat de situatie ontregelt. „Ik kijk steeds of ik ergens een streek kan leveren. Dat kan iets flauws zijn, zoals het afpakken van een iPhone bijvoorbeeld, van iemand uit het publiek.”

„Voor ons is het steeds een verrassing”, zegt Cameron. „Staan wij diep verzonken te spelen, horen we ineens iedereen lachen. Staat Peter op de rand van het podium triomfantelijk met een telefoon omhoog.”

Te Bos: „Ik heb het nodig om iets mafs te doen, daar voel ik me goed bij. Ooit nam ik me voor, vanavond geen gekke dingen doen! Dat lukte niet. Ik ben een losgeslagen projectiel.” Ook buiten het podium, zegt hij. „Thuis zegt mijn vriendin regelmatig ‘Jongen, schei toch eens uit met die grappen’. Maar het is sterker dan mezelf.”

Ondanks de grappen sluit het nieuwe album af met een zwaarmoedig nummer. Dit ‘Fade’, met de gedragen uitgesproken tekst „before I fade”, laat zich beluisteren als een lied over einde en afscheid. „Onze teksten ontstaan spelenderwijs”, zegt Te Bos ontwijkend. „John speelt gitaar en ik brabbel in steenkolen-Engels. Als er een geslaagde klank langskomt, associeer ik daarop verder. ‘Fade’ vond ik een goed woord om een tekst mee te maken, het meandert mooi.” Hij weifelt even en zegt dan: „Naast alle lol heb ik ook een melancholische kant. Die komt er soms uit. Hier dus.”

Op de vraag wat hij allemaal wil doen voor er sprake is van ‘doven’, struikelt hij over zijn woorden. „Eindeloos veel. Optreden, op vakantie gaan, poffertjes eten, kunst zien, kunst maken. En natuurlijk”, hij verwijst naar de titel van het nieuwe album, „Part II opnemen.”