‘Verliezers zijn homo’s, dacht ik’

Hockey Thijs de Greeff (36) kwam als international niet uit voor zijn homoseksualiteit. Met tophockeyer Valentin Verga (28) en oud-ploeggenoot Laurence Docherty (38) praat hij voor het eerst over het masker dat hij jarenlang droeg.

Thijs de Greeff (midden), Laurence Docherty (l) en Valentin Verga (r). Foto Merlijn Doomernik

„Ik heb de meest gaye schoenen aangetrokken die ik heb”, zegt Valentin Verga met een brede lach, wijzend op zijn pastelgroene sneakers. Verga is als 163-voudig international een van de gezichtsbepalers van het Nederlandse hockey. Met Thijs de Greeff en Laurence Docherty loopt hij voor een fotosessie het Wagener Stadion binnen, de thuisbasis van de nationale teams maar ook van hockeyclub Amsterdam. Verga speelt er in heren 1, De Greeff en Docherty zijn tophockeyers af. De drie kennen elkaar al jaren. „Je moet wel een beetje als een nicht gaan staan”, zegt Verga tegen Docherty. De Greeff kan erom glimlachen.

In de Amsterdamse bestuurskamer vouwt De Greeff even later een blaadje met aantekeningen uit, legt het voor zich neer en strijkt het glad. Naar dit gesprek heeft hij weken toegeleefd. „Ik hoop dat ik niet word neergezet als een slachtoffer, want ik ben niet zielig”, zegt hij. Het is voor het eerst dat De Greeff serieus met Docherty en Verga in gesprek gaat over het masker dat hij jarenlang droeg als tophockeyer – De Greeff speelde in 2005 en 2006 zes interlands.

„Thijs zat altijd in zijn hoofd”, vertelt Docherty. „Hij worstelde met zichzelf.” Tussen 2001 en 2007 speelden Docherty (78 interlands) en De Greeff samen bij Klein Zwitserland in Den Haag. Ze werden goede vrienden. Dit is gewoon hoe Thijs is, dacht Docherty. „Maar toen hij uit de kast kwam, realiseerde ik mij: dát was het dus.”

Het is 19 maart 2012, 13.38 uur. De Greeff drukt op ‘versturen’. Iets wat hij in gedachten al tientallen keren heeft gedaan

Pingpongen

In 2011 stopt De Greeff met tophockey, hij houdt zijn voorkeur voor mannen dan al acht jaar voor zich. „Ik heb die gast zo zien pingpongen qua emoties”, zegt Docherty. „Op het veld was hij soms fokking agressief, Thijs kon zo omslaan naar vurig rood. Hard slaan op de stick van een tegenstander, kaarten halen. En dan zag je hem daarna denken: wat heb ik nou gedaan?”

De Greeff, met zachte stem: „Ik was wel intens, ja. Deels was het gewoon fanatisme. Ik stond mijn mannetje, leefde echt voor het hockey. Maar ik was ook gefrustreerd en kwetsbaar.”

Het is 19 maart 2012, 13.38 uur. De Greeff drukt op ‘versturen’. Iets wat hij in gedachten al tientallen keren heeft gedaan. „Zoals sommigen van jullie wel weten ben ik nooit echt een kei geweest in het hebben van vriendinnetjes”, schrijft De Greeff aan zijn teamgenoten van het tweede van de Amstelveense hockeyclub Pinoké. „Ik denk dat daar achteraf een simpele verklaring voor is”, vervolgt hij in zijn e-mail, „namelijk dat ik niet op meisjes val.”

Pas een jaar na zijn afscheid als tophockeyer komt De Greeff openlijk uit voor zijn homoseksualiteit. „De omgeving was er totaal niet naar”, verklaart hij. „Ik voelde de warmte van het team, maar tegelijkertijd beoefende je wel topsport. Verliezers zijn homo’s, dacht ik.”

Die gedachte kwam niet uit de lucht vallen. ‘We gaan nu die homo’s inmaken’ of ‘kom op, niet lopen mieten’, De Greeff moest het vaak aanhoren. Of neem de teamyell bij Klein Zwitserland, voorafgaand aan iedere wedstrijd in een kringetje: ‘Eén hoeraatje voor de scheidsrechters en die homo’s’. „Ik deed daar zelf ook aan mee”, vertelt hij, „en dan dacht ik: kut, als ik uit de kast kom, gaan ze mij hier allemaal aan herinneren.”

‘Heel hetero’

Docherty hield zich ook zeker niet afzijdig. „Het is misschien heel naïef en heel hetero, maar ik zag en zie ‘homo’ niet als scheldwoord. ‘Vieze homo’ vind ik wat anders, snap je?” Verga: „Ik heb precies hetzelfde.”

Maar voor De Greeff werd bij iedere ‘homo’ de drempel om uit de kast te komen hoger. „En toen ik voor het Nederlands elftal ging spelen, was ik er helemaal zeker van dat ik het voor me zou houden. Een international kan gewoon niet homo zijn, dacht ik toen. Ik wilde het mijn teamgenoten niet aandoen.”

Verga: „Als Thijs in die tijd had gezegd: ‘Ik ben er helemaal klaar mee, want ik ben zelf homo’, dan weet ik honderd procent zeker dat de situatie was veranderd.”

Voor De Greeff werd bij iedere ‘homo’ de drempel om uit de kast te komen hoger

Stelt hij daarmee dat het De Greeffs eigen schuld is geweest dat de situatie niet verbeterde? „Nee, maar niemand heeft Thijs iets aan willen doen”, zegt Verga. „Als ik het zou weten van iemand, zou ik het er met diegene over hebben. Maar ik kan niet ruiken of iemand homo is, ik kan het niet zien… Er is ook gewoon kleedkamerhumor, weet je wel. Tophockey is een machowereld.”

„Daar is niemand veilig, alles wordt gezegd”, vult Docherty aan. „Dat doet mensen pijn, maar iedereen wordt getroffen. Dat is niet goed, maar het is hoe het gaat.”

En wie dat niet begrijpt, heeft volgens Verga nooit aan topsport gedaan. „Bij veel mannenteams is er gewoon echt een apenrots, er gelden daar helaas andere regels. Maar als je weet dat je iemand ergens mee kwetst, dan doe je het honderd procent zeker niet.” De Greeff zucht. „Ik kan nu prima tegen die kleedkamerhumor, maar hoe zal het zijn voor hockeyers dit op dit moment in de kast zitten?”

Even geleden speelde De Greeff een gelegenheidswedstrijd met voornamelijk oud-internationals. „Stonden we na afloop onder de douche, vroeg er eentje: ‘Thijs, word je nou geil van me?’ Nu kan ik over zo’n opmerking heen stappen, maar hoe is dat voor een ander?”

Docherty: „Als hetero snappen we niet hoe het is om homo te zijn en daarmee te stoeien.” De Greeff vindt dat je soms best een lullige opmerking over homo’s mag maken. „Maar het is belangrijk dat er iets positiefs tegenover wordt gezet. Homo’s kunnen bijvoorbeeld net zo goed succesvol zijn als topsporter, daar ben ik het bewijs van.”

Volgens Verga - „voor mij maakt het niet uit van wie je houdt” - kost het tijd om het taalgebruik te veranderen

Volgens Verga - „voor mij maakt het niet uit van wie je houdt” - kost het tijd om het taalgebruik te veranderen. Hij zegt het woord ‘homo’ niet meer negatief te gebruiken sinds hij voor zijn studie toegepaste psychologie onderzoek deed naar homo-acceptatie binnen teamsporten. „Al floept het er vast nog weleens uit.” Maar medespelers op hun taalgebruik aanspreken, blijft lastig. „Dat ligt eraan… Ik ben er niet heel erg mee bezig.”

Ondanks de heterocultuur, was hockey „mijn houvast”, zegt De Greeff. Spelen gaf hem zelfvertrouwen, en betekende afleiding. „Verder was ik niet zo happy. Als we zomer- of winterstop hadden, of als het met hockey niet goed ging, dan had ik het moeilijk, werd ik teruggeworpen op mezelf.”

Verga: „En dan hoor je in je omgeving dat die speler het met dat meisje heeft gedaan…”

De Greeff: “Ja, ik kon eigenlijk alleen maar hockeyen, aan alles daarbuiten deed ik niet echt mee. Toen besefte ik niet dat ik mij erg alleen voelde, maar met terugwerkende kracht: ja, dat was een supereenzame periode.”

Sleutelmoment

1 mei 2008, een sleutelmoment. De Greeff speelt met Rotterdam in de halve finales van de play-offs om het landskampioenschap tegen Bloemendaal. De wedstrijd lijkt al gauw beslist, maar Rotterdam weet zich terug te vechten tot 4-4. Dan maakt De Greeff een cruciale fout. Hij schuift een breedtebal in de stick van een Bloemendaal-speler, waarop het beslissende doelpunt in de wedstrijd valt.

„Ik zat al niet lekker in mijn vel, en toen dat. Die nacht deed ik geen oog dicht.” In de dagen erna houdt de slapeloosheid en het onrustige gevoel bij De Greeff aan. „Ik wist het gewoon echt niet meer. Zat ik op het randje van mijn bed en dacht ik: wat nu?”

Hij besluit om naar een psychiater te gaan, die vraagt of De Greeff een vriendin heeft. „Ik zat daar nog geen tien minuten en barstte in huilen uit. Dat was het begin van de ommekeer, daarna ben ik langzaam uit het dal gekropen.”

Op advies van zijn therapeut vertelt De Greeff eerst aan een studiegenoot, op wie hij dan verliefd is, dat hij homoseksueel is. „Hij bleek hetero, daar baal ik nog steeds van”, zegt hij lachend. De Greeff huurt een klein appartement in Amsterdam en kan zo ongestoord en anoniem de homowereld ontdekken. „Ik ging veel uit en leerde voor het eerst in mijn leven andere homo’s kennen. Ik was altijd heel gedisciplineerd, maar kwam ineens te laat bij trainingen en wedstrijden. Het was een late pubertijd, een ontdekkingsreis.”

Veel meer zelfvertrouwen

Die periode is nodig, want De Greeff wil „honderd procent zeker weten” dat hij homo is, voordat hij het zijn omgeving vertelt. „Ik kreeg ook veel meer zelfvertrouwen. Jongens vonden mij leuk en ik hoorde positieve verhalen over uit de kast komen.”

Wanneer De Greeff naar een homoclub gaat, stelt hij zich voor als ‘Matthijs’. Gaat hij een club binnen, kijkt hij eerst goed om zich heen

Wanneer De Greeff naar een homoclub gaat, stelt hij zich voor als ‘Matthijs’. Gaat hij een club binnen, kijkt hij eerst goed om zich heen. “Ik was heel bang dat het uit zou komen. Maar op een gegeven moment werd ik onvoorzichtiger, omdat het mij minder kon schelen.” Hij vertelt het vage kennissen en langzaamaan sijpelt het ‘nieuws’ de hockeywereld binnen: Thijs is homo.

„Omdat het rondging en omdat ik er ook eindelijk aan toe was, heb ik toen een dag vrij genomen en de mail aan mijn teamgenoten van Pinoké geschreven.”

Docherty begrijpt dat De Greeff het voor zich heeft gehouden, maar vindt het „echt, echt jammer”. Hij ziet hem als een broer. „Ik was er graag voor ‘m geweest.”

De Greeffs coming-out was overigens „de grootst mogelijke anticlimax”. Iedereen reageerde positief, al was er wel die ongemakkelijke stilte toen de spelers van Pinoké heren 2 elkaar voor het eerst weer zagen. „Gelukkig riep een teamgenoot in het kringetje ‘en nu gaan we die homo’s inmaken’. Geweldig, alle spanning was meteen weg.”

Reageren? m.dallinga@nrc.nl

    • Maarten Dallinga