Niemand kijkt op zijn mobieltje in het kamp

Duitse scholieren bezoeken Sachsenhausen

„Iets wat verplicht is, doe je niet graag”, zegt de directeur over het voorstel om kampbezoek in het schoolprogramma op te nemen.

Scholieren lopen langs de cellen van het voormalige concentratiekamp Sachsenhausen in Oranienburg, bij Berlijn, Foto’s Gordon Welters/HH, Oliver Weiken/EPA

Het is geen verplicht nummer voor haar klas, dit bezoek aan het voormalige concentratiekamp Sachsenhausen. Daarover wil geschiedenislerares Ulrike Seeck uit Berlijn geen misverstand laten bestaan. „Ik heb de leerlingen gevraagd: willen jullie een KZ bezoeken? En verreweg de meeste zeiden ja.”

Een Berlijnse wethouder, Sawsan Chebli, dochter van Palestijnse vluchtelingen, ontketende onlangs een debat in Duitsland met het voorstel alle scholieren te verplichten een concentratiekamp te bezoeken. Zo zou het weer toenemende antisemitisme bestreden kunnen worden.

Iedereen in Duitsland, ook nieuw aangekomen vluchtelingen, zou zeker één keer in zijn leven een tot gedenkplaats gemaakt concentratiekamp bezocht moeten hebben, vond Chebli. Er kwam veel kritiek. Dwang zou contraproductief zijn. En het wekte onaangename herinneringen aan de DDR op, waar de staat geschiedenis tot politiek instrument maakte.

„Wij willen de belangstelling van de jongeren voor de geschiedenis wekken”, zei directeur Günter Morsch van gedenkoord Sachsenhausen, „en iets wat verplicht is doe je niet graag.” Wat betreft vluchtelingen en immigranten zei hij dat „onderzoek heeft aangetoond dat herkomst minder bepalend is voor racisme en antisemitisme dan opleidingsniveau”.

Tegen verplichte bezoeken werd ook ingebracht dat een kamp als Sachsenhausen, met jaarlijks 700.000 bezoekers, nú al niet in staat is op alle aanvragen van scholen in te gaan. „We zouden het aantal deskundige gidsen moeten verdubbelen”, aldus Morsch.

‘Ik wil weten hoe het hier was’

Het is een winterse donderdagochtend als de leerlingen van Ulrike Seeck, weggedoken in hun jassen tegen de ijzige wind, over het kale, driehoekige terrein lopen van het voormalige concentratiekamp, zo’n dertig kilometer ten noorden van Berlijn. Het zijn twaalf scholieren van een middelbare school in de Berlijnse wijk Neukölln. Ze zijn tussen de vijftien en zeventien jaar oud, veel van hen hebben een buitenlandse achtergrond. „Ik wil weten hoe het dagelijks leven hier in het kamp was”, zegt Tariq Diallo (15).

Tussen 1936 en 1945 hebben hier meer dan 200.000 mensen gevangen gezeten: tegenstanders van het naziregime, Joden, homo’s, jehova-getuigen, Roma en Sinti en veel gevangenen uit landen die door de Duitsers bezet waren. Het was geen vernietigingskamp, zoals Auschwitz. Maar tienduizenden kwamen hier om het leven – door honger, ziekte, dwangarbeid, medische experimenten en systematische moordpartijen.

Vergassingstechnieken getest

Zeker 12.000 Sovjet-krijgsgevangenen, onder wie veel Joden, werden hier geëxecuteerd. Er was een gaskamer in gebruik, waar vergassingstechnieken werden getest. In 1942 werden de meeste Joodse gevangenen gedeporteerd naar Auschwitz.

„We hebben in de klas al veel aandacht aan dit onderwerp besteed”, zegt lerares Ulrike Seeck. „We zijn naar het Huis van de Wannsee-conferentie geweest [waar 15 nazikopstukken op 20 januari 1942 gedetailleerde afspraken maakten over de uitvoering van de Shoah, het uitmoorden van de Joden]. We hebben de Topographie des Terrors bezocht [het documentatiecentrum voor de misdaden van het nazisme in Berlijn]. En we hebben een aantal films bekeken, waaronder Die Grauzone [over een opstand in Auschwitz].”

En nu bezoeken de scholieren de paar barakken die op deze gedenkplaats nog overeind staan, de kampkeuken en het poortgebouw met wachttoren en toegangshek met de beruchte, cynische woorden ‘Arbeit macht frei’. De leerlingen luisteren stil en ernstig, terwijl een gids toelichting geeft bij een tentoonstelling die in het poortgebouw is ingericht.

Ze vertelt over de alledaagse intimidatie in het kamp, en over een ontsnapping van zeven mannen en hoe de overige gevangenen daarvoor moesten boeten. Geen van de leerlingen speelt met zijn mobieltje. Eén keer haalt een jongen z’n telefoon te voorschijn – om het enorme machinegeweer te fotograferen waarmee vanuit het raam het hele kamp onder schot kon worden genomen.

Dan splitst de groep zich op: in groepjes van twee of drie moeten de leerlingen een zelfgekozen onderdeel van de tentoonstelling bestuderen, en daarover later op de dag een korte spreekbeurt houden voor hun klasgenoten. Over wat de gevangenen te eten kregen bijvoorbeeld, over dwangarbeid, over de architectonische opzet van het kamp, of over de Joodse gevangenen.

De leerlingen voldoen braaf, maar niet erg geïnspireerd aan die opdracht. Als ze hun praatjes houden, hebben ze al bijna vier uur in het kamp doorgebracht. Nogal plichtmatig lepelen ze de feiten op die ze op informatieborden van de tentoonstelling hebben gelezen.

Braaf maar niet erg geïnspireerd

Een meisje van Turks-Arabische afkomst, die alleen met haar voornaam Safaa in de krant wil, vertelt over de Nederlandse verzetsman Ab Nicolaas, die van 1941 tot 1945 in het kamp zat en bij zijn medegevangenen gerespecteerd was omdat hij het zo lang had uitgehouden. Een jongen vertelt over Hans von Dohnányi, een Duitse verzetsstrijder die Joden hielp te vluchten, betrokken was bij een mislukte aanslag op Hitler en in 1945 in Sachsenhausen werd opgehangen.

Als laatste komt Tariq Diallo aan de beurt, die over het lot van een Joodse gevangene wil vertellen. Als hij niet snel genoeg uit zijn woorden komt, wordt de gids ongeduldig. Ze kapt de spreekbeurt af, de tijd is om, de rondleiding is voorbij.

Ontevreden gids

Verbouwereerd loopt de jongen naar buiten. Hij verbaasde zich over de abrupte manier waarop de gids de bijeenkomst afsloot, maar hij vond het toch een boeiend bezoek. „Het stemt treurig. Het doet je beseffen dat we blij mogen zijn dat we niet in die tijd leven. Ik wil hier zeker meer over weten, ook over de Joodse gevangenen.” Het verplicht stellen van bezoeken aan concentratiekampen vindt hij geen goed idee, „daarmee wek je geen interesse in wat er gebeurd is”.

De gids is na afloop niet erg tevreden over de klas die ze vandaag begeleidde. Ze vond het niveau laag, de leerlingen kwamen niet met concrete vragen, zegt ze, dat is vaak anders. De scholieren gedroegen zich wel netjes, zoals vrijwel altijd het geval is, voegt ze eraan toe. Slechte ervaringen, met scholieren die blijk geven van antisemitisme of twijfel uiten over de Holocaust, heeft ze vrijwel nooit.

    • Juurd Eijsvoogel