Column

Lekker zitten

Ik was met fotograaf Jan Dirk in Boekel, voor een reportage over de grootste moestuinzadenbeurs van Europa. Nut en noodzaak van deze exercitie zaten ons in de weg. Onderweg was de stemming in zijn Fiat Panda alvast gezakt naar onder nul, de temperatuur trouwens ook. Hij had een nummer van Gerard van Maasakkers in z’n hoofd, want schoonfamilie uit Helmond over de vloer gehad.

„Hee gaode mee, de bluumkes staon weer open.”

Ik zei: „En nou hou je je bek.” Hij: „Oké.”

We waren er.

Een enorm tuincentrum in een kaal landschap. Jan Dirk struinde rond met zijn camera, ik belandde uiteindelijk in ‘Het Tuincafe’, aan een tafeltje met een ouder echtpaar en ene Jos, die ze van vroeger kenden. Jos zei om de paar zinnen dat hij blij was dat hij zat.

„Ik ben blij dat ik zit.”

„Ja, Jos dat zal.”

Jos: „De ene partij zegt dit, de andere partij zegt dat, dus dan weet je het niet.” Ik dacht eerst dat het over politiek ging, maar hij had het over zijn medicatie.

Jos: „De specialist zegt ‘pillen slikken’, maar de dokter zegt: ‘niks slikken’. Kunnen jullie daar chocola van maken? Ikke niet.”

De man: „Slik de helft.”

Jos: „En verder is mijn huid door die behandelingen veel zachter geworden, dan zal het vanbinnen ook wel zachter zijn.” De vrouw: „Ja, ja.”

Jos klaagde over vermoeidheid, hij was na een rondje over de beursvloer al uitgeput.

„Dus ik ben blij dat ik zit.”

De vrouw: „Gewoon blijven zitten. Je zit hier toch lekker? Er staan zelfs parasols. Doe je gewoon even je ogen dicht, dan is het alsof je op vakantie bent.”

Jos: „Nou, vakantie …”

Het gesprek ging verder, de man besprak waarom de mensen zoveel klaagden tegenwoordig.

„We hebben het gewoon te goed.”

Jos: „Maar ik ben blij dat ik zit.”

De man: „Ik zou zeggen: blijf lekker zitten, Jos. Lekker bij het raam, kun je naar buiten kijken. Dan doen wij nog een rondje. Wat hebben wij nog nodig?”

De vrouw: „Violenzaad.”

Hij: „Violenzaad.”

Ze stonden op, hij zei tegen Jos: „Nou geniet ervan, he. Laat het allemaal maar lekker over je heen komen.”

Zodra ze weg waren ging Jos verzitten, naar de stoel tegenover me. De bejaarde keek me aan, duidelijk op zoek naar een praatje dus ik vroeg of hij het naar zijn zin had op de grootste moestuinzadenbeurs van Europa.

Hij zei: „Ik hoef hier geen zaden te kopen, ik ben al uitgezaaid.”

Brabantse humor, waarvan ik even moest bijkomen, dus toen we weer in de Fiat Panda zaten zei ik: „Ik ben blij dat ik zit.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.