‘Bel wél aan als de gordijnen altijd dicht zijn’

Minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid) voerde als wethouder in Rotterdam een aanpak tegen eenzaamheid onder ouderen in. Dat wil hij nu landelijk doen.

Minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (CDA). Foto Bart Maat / ANP

Een meldpunt eenzaamheid in alle gemeenten, training van vrijwilligers, het wegnemen van onnodige regels én een huisbezoek aan alle 75-plussers in ons land. Met die maatregelen wil minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) „een van de grootste sociale vraagstukken van onze tijd” aanpakken: eenzaamheid onder ouderen.

Deze dinsdag presenteert het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een actieplan tegen eenzaamheid onder ouderen. Er is 26 miljoen euro beschikbaar die kan worden besteed aan het opzetten van lokale initiatieven. Om versnippering te voorkomen – nu een groot probleem bij eenzaamheidsbestrijding – komt er een landelijke organisatie tegen eenzaamheid die overzicht moet houden.

De Jonge voerde als wethouder in Rotterdam eerder eenzelfde soort aanpak tegen eenzaamheid in. Die begon nadat in 2013 een vrouw werd gevonden die tien jaar dood in haar huis had gelegen zonder dat iemand het opmerkte.

Het plan had succes: in Rotterdam daalde het aantal eenzame ouderen, tegen de landelijke trend in. In ons land voelt 54 procent van de 75-plussers zich eenzaam – dat zijn ongeveer 700.000 ouderen. De Jonge: „We mogen eenzaamheid niet accepteren als een fact of life.”

43 procent van alle volwassenen voelt zich eenzaam, waarom is dit programma dan alleen voor ouderen?

„Eenzaamheid is inderdaad niet exclusief een ouderenprobleem, maar zij vormen wel de grootste risicogroep. Het netwerk wordt kleiner, veel ouderen verliezen hun partner, ze worden minder mobiel. Bij hen is ook het risico het grootst dat we groeiende eenzaamheid niet zien.”

Hebben bezuinigingen van vorige kabinetten, inclusief sluiting van verzorgingshuizen, het moeilijker gemaakt eenzaamheid onder ouderen te signaleren?

„Ik ben geneigd ‘ja’ te zeggen. Als wethouder in Rotterdam vond ik dat ook niet altijd makkelijk. Er is behoefte aan nieuwe pleisterplaatsen voor ouderen en die zie je nu ook ontstaan. Gemeenten krijgen nu dus geld om daarvoor te zorgen. Ik wil dat het lokaal wordt aangepakt. Amsterdam is geen Aalten – we moeten ook niet net doen alsof.”

Is dit niet meer een maatschappelijk probleem: bijvoorbeeld van kinderen en kleinkinderen die hun familie weinig bezoeken?

„Zeker, dit is een samenlevingsvraagstuk. We willen juist dat mensen wél aanbellen bij het huis in de straat waar altijd de gordijnen dicht zijn, dat kinderen en kleinkinderen wél op familiebezoek blijven gaan. In onze kringen hebben we het dan over omzien naar elkaar. De samenleving heeft dat niet meer overal onder de knie, dus is wat hulp van de overheid nodig.”

Is dat een pijnlijke constatering voor een CDA-minister, dat de samenleving omzien naar elkaar niet meer in de vingers heeft?

„Natuurlijk is dat pijnlijk. Ik zie in mijn eigen stad, Rotterdam, dat 53 procent van de ouderen soms eenzaam is. Maar het verschilt per stad. In Hardenberg is het veel minder. Het is niet altijd een grootstedelijk probleem – ook in Zeeland zijn veel mensen eenzaam. Ik zie dit ook als een keerzijde van de geïndividualiseerde samenleving.”

Er wordt nu een enorme organisatie opgetuigd om eenzaamheid te bestrijden. Waarom moet de overheid dit oplossen?

„Ik snap wel dat mensen die vraag stellen. Maar we gaan onszelf echt niet opdringen bij alle 75-plussers. In Rotterdam bezochten we 8.300 75-plussers, van de 34.000 die we aanschreven. Mensen mogen zelf aangeven of ze daar behoefte aan hebben. Maar ik vind niet dat de overheid kan zeggen: we leggen ons erbij neer dat de samenleving zich zo heeft ontwikkeld. Het ís niet iets dat gewoon maar bij deze tijd hoort.”

Is het bestrijden van eenzaamheid ook een manier om gevoelens van voltooid leven tegen te gaan?

„Laat ik beide vraagstukken niet in een adem behandelen. Maar ik wil wel onderstrepen: ouderen moeten weten dat ze erbij horen. Dat ze nog onderdeel uitmaken van de samenleving. Ik zie dat als een van onze belangrijkste opdrachten.”

    • Enzo van Steenbergen