Lege hallen en dun veld dwingen schaatswereld tot veranderingen

Schaatsen De wereldbeker wordt door de rijders nauwelijks serieus genomen. Wordt het tijd om aan de wedstrijdenreeks een wereldtitel te hangen?

Kjeld Nuis bij de finale van de wereldbekerwedstrijden in Minsk op weg naar de eindzege op de 1.000 meter. Foto Erik Pasman/ANP

Een veld van slechts zeven deelnemers op de 500 meter vrouwen. Geen olympisch kampioen Nao Kodaira of nummer twee Lee Sang-hwa. Ook de andere olympisch kampioenen schitterden door afwezigheid: Jorien ter Mors, Ireen Wüst, Carlijn Achtereekte en Esmee Visser. Zoals bij de mannen Sven Kramer al een punt achter zijn seizoen had gezet. De wereldbekerfinale in Minsk als apotheose van een boeiend olympisch schaatsseizoen? Integendeel. Grote vlaggen om lege tribunes te maskeren. En steeds minder topschaatsers nemen de wedstrijdenreeks serieus.

De internationale schaatsunie ISU startte in 1985-1986 met de wereldbekercylus op de verschillende afstanden om de sport breder te maken dan een paar weekeinden met EK en WK. Mede dankzij sponsoring van Essent groeide de wereldbeker uit tot een belangrijke prijs. Maar sinds het energiebedrijf in 2014 afhaakte, loopt de interesse terug bij sponsors, publiek en ook bij de schaatsers zelf. Vooral de Nederlandse toppers slaan de wereldbekerwedstrijden vaak over, omdat ze de voorkeur geven aan trainingskampen of rust.

„Als je wilt dat deze competitie serieuzer wordt genomen moet je er een wereldtitel aanhangen”, stelde Lotto-Jumbo coach Jac Orie in december rond de wereldbeker in Heerenveen, waar enkele van zijn schaatsers ontbraken. „Wie aan het einde van die cyclus het klassement aanvoert, is wereldkampioen op die afstand.”

Het plan van de Haagse coach, destijds openbaar gemaakt in het AD, lijkt nu te worden overgenomen door de Nederlandse schaatsbond KNSB. Op het ISU-congres in juni in Sevilla overweegt de bond het voorstel te doen om de winnaar van het wereldbekerklassement per afstand uit te roepen tot wereldkampioen. De WK afstanden, tot nu toe in niet-olympische jaren het belangrijkste schaatstoernooi, worden in dat geval overbodig.

Voordeel van het Nederlandse voorstel, dat pas in het seizoen 2022-2023 zou worden ingevoerd, is dat de wereldbeker door de schaatsers serieuzer zal worden genomen dan de laatste jaren. Wie wereldkampioen wil worden, kan niet langer races overslaan. De wedstrijdenreeks zou bovendien moeten groeien van de huidige zes weekeinden naar acht: vier in Europa, twee in Noord-Amerika en twee in Azië.

Financiering naar prestatie

In kringen van de ISU, onder voorzitterschap van de Nederlander Jan Dijkema, wordt het Nederlandse voorstel niet direct omarmd. In veel andere landen is de financiering van het schaatsen gebaseerd op de prestaties bij de WK afstanden, dat sinds 1996 een succesvolle aanvulling is van de schaatskalender.

Binnen de ISU leven andere ideeën over hervormingen. Er is het oude idee van Ard Schenk om te komen tot een ‘Winterfestival’, een schaatsweek in het even jaar tussen twee Spelen, met ook shorttrack en kunstrijden. Ook zouden de WK’s hetzelfde format kunnen krijgen als het EK sinds 2017 heeft: het ene jaar WK allround en sprint, het andere jaar WK afstanden.

Onzekerheid bij Nederlanders

De Nederlandse schaatsers hebben grotere onzekerheden dan veranderingen van de kalender. Volgens Kramer, die al vóór de Spelen voor twee jaar bijtekende bij de ploeg van Orie, is „97 procent” na dit seizoen werkloos. Zelfs de winnaars in Minsk zijn onzeker over hun toekomst. Tweevoudig olympisch kampioen Nuis kan kiezen uit meerdere aanbiedingen. Maar Antoinette de Jong is na het stoppen van sponsor Justlease net als de rest van haar ploeg zonder contract.

De winnaars van het eindklassement op een afstand verdienden in Minsk zo’n 12.000 euro. Voor buitenlandse schaatsers is het prijzengeld een cruciale bron van inkomsten. Niet voor niets waren de Noren bij de finale wél compleet. De afgelopen jaren moesten ze soms zelf hun trainingskampen betalen. Uitblinker Sverre Lunde Pedersen ging tot het uiterste om de Rus Denis Joeskov op de 1.500 meter de winst en extra punten afhandig te maken, zodat zijn landgenoot Håvard Lorentzen nog net 16.200 euro en de ‘Grand World Cup’ kon pakken als schaatser met de meeste punten over alle afstanden. Is hervorming nog nodig, als ook voor de Nederlandse schaatsers het prijzengeld belangrijk wordt?