Recensie

Wat er gebeurt als mieren een religie beginnen

Een man schrijft wanhopig een brief aan God: ‘Onophoudelijk dwarrelen in mijn hart raadsels neer. […] Ik tracht speurend tot op de bodem te gaan, op te gaan in het al. Maar immer blijf ik geïsoleerd achter, onwetend, afgezonderd, altijd op de over.’ Opmerkelijk genoeg stuurt God een antwoord. Hij weet het ook niet zo goed meer en suggereert: ‘Wie weet vind je wel rust in een andere religie.’ Maar ‘een aanbevelen kan ik niet, want daarvoor ben ik wel heel slecht geplaatst’.

En misschien is de oplossing eenvoudig. ‘Als ik jou was zocht ik me een postje als tuinman of zou ik voor eigen rekening een groentetuintje bewerken’, schrijft God als een soort hemelse Voltaire, die in zijn Candide ook al adviseerde: ‘il faut cultiver notre jardin’. Ironischer kan het bijna niet. Of moet je zeggen absurdistischer? Ergens tussen die twee in kan dit korte verhaal model staan voor de hele bundel Het wonderbaarlijke milligram van de Mexicaanse schrijver Juan José Arreola.

Die bundel verscheen al in 1952, als tweede in zijn relatief bescheiden oeuvre, maar is nu pas in het Nederlands vertaald.

Arreola is in de schaduw van de grote auteurs uit de Latijns-Amerikaanse boom van de jaren zestig altijd een onbekende gebleven. Ten onrechte, zo bewijst Het wonderbaarlijke milligram. Veel van de 27 (meestal heel korte) verhalen die erin zijn opgenomen, prikkelen niet alleen de fantasie maar roepen ook metafysische vragen op. Wat gebeurt er in een mierenhoop wanneer daar zich een soort religie begint te ontwikkelen? (Antwoord: het loopt slecht af.) Is een pact met de duivel wel altijd te vermijden? (Conclusie: voor alle zekerheid een askruisje tekenen op de drempel.) Is er nog hoop in een mensenleven wanneer iemand niet langer in schoonheid gelooft? (Alles eindigt in mismoedigheid).

Zwaar op de hand wordt Arreola echter zelden. De springerigheid van zijn fantasie verrast voortdurend. In het verhaal over een straatventer die ‘oude echtgenotes inruilt voor nieuwe’: stralend jonge blondines – die echter na een tijdje vervaarlijk beginnen te roesten. Of in dat over een hoorndrager die zijn huisvriend in onschuldige simpelheid bezweert dat hij altijd bij hem en zijn vrouw welkom zal zijn, want: ‘We zijn zo gelukkig hier!’ Over de jongeman die in een bibliotheek een meisje verovert met citaten van klassieke filosofen en antropologen. Of over de specialist in antieke ballistiek en de Amerikaanse student die zich alleen maar afvraagt of hij met diens uitleg ‘succes zal hebben’ in zijn afstudeerscriptie.

Niet overal overtuigt Arreola. De straf die Balthasar Gerards, moordenaar van Willem van Oranje, moest ondergaan was heel wat wreder dan de galg waaraan hij bungelt in Arreola’s verhaal. De relatief lange vertelling over de bankbediende Pablo die in een visioen de schepping van God doorgrondt komt niet werkelijk tot leven. Maar het merendeel van deze verhalen lees en herlees je met stijgende verwondering over alle mysterie die Arreola weet op te roepen op de vierkante centimeter.

    • Ger Groot