Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Uber

Ik mocht in de nacht twee uur over mezelf praten op Radio 2. Op het moment van afspreken leek dat nog een goed idee, maar toen de door de publieke omroep betaalde taxi voor de deur stond, wilde ik mezelf het liefst in de gordijnen rollen. „Hé, een taxi van TCA”, zei ik bij het instappen. „Dat is lang geleden.”

Klassieke taxichauffeur met ringbaardje, een dopje in z’n oor en veel aftershave.

„Gewone taxi’s komen niet naar dit dorp, je komt er alleen maar weg met Uber”, zei ik, „die zijn er in twaalf minuten”.

„O ja?”, snoof hij.

„Ja”, zei ik, „ik had eerst zo mijn bedenkingen, maar ik heb echt nul klachten over dat bedrijf.”

Aan alles was te merken dat ik zijn avond totaal had verziekt.

„Ik ben niet zo’n Uber-fan”, zei hij.

„Nee?”

Alsof ik een jerrycan benzine leeggoot over een smeulend vuur.

„Nee, ik ben niet zo’n fan.”

Daarna de bekende tirade, een woedende opsomming van alle fouten van politici die begon met de deregulering van de taxibranche. Daarvoor, in de gouden periode, at hij nog weleens een biefstukje. Ik kende de klaagzang, ik had er tientallen keren naar moeten luisteren, soms als een gegijzelde op de bijrijdersstoel, maar nu klonk het anders. Niet als muziek, maar ik had het wel gemist. In de stad is andermans ellende altijd zo lekker dichtbij.

Hij had het over noodgedwongen pannekoeken of vissticks eten met de kinderen omdat er geen geld meer was voor vlees, over een echtscheiding (taxichauffeurs hebben altijd verschrikkelijke exen), over verhuizen naar Almere, waar het ook stikte van de Uber-chauffeurs en over het grote gebrek aan medeleven bij het grote publiek.

„De mensen hebben geen idee van onze ellende…”

Ik: „Nou, nou …”

Hij: „Weet je hoe dat komt?”

Ik wist het al …

De media hielden Uber de hand boven het hoofd, die schreven niet over het slagveld dat dat bedrijf aanrichtte.

„Uber is een kutbedrijf”, zei ik.

Hij: „Hèhè.”

We reden het Mediapark op, hij wist nog niet of hij naar huis ging of dat hij nog even in Hilversum bleef hangen. Had toch geen zin, hier reden ook allemaal Ubers.

Hij: „Maar wat doe je eraan?”

Hij drukte met een zucht op een knop, de meter stopte. De rekening ging rechtstreeks naar de omroep.

„Fijn, geen gehannes met zo’n pinapparaat of wisselgeld”, zei ik. „Dat vind ik bij Uber ook altijd zo prettig.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen