Opinie

    • Harald Merckelbach

Meer tussen hemel en aarde

Harald Merckelbach

De parapsychologie is roemloos ten onder gegaan. Bijgeloof blijft interessant, schrijft Harald Merckelbach.

Vroeger zag je nog wel eens een bebaarde, pijprokende professor op tv, zo’n professor die uitlegde dat er meer is tussen hemel en aarde. Ja, er was een tijd dat sommige universiteiten nog heuse afdelingen parapsychologie hadden. Nederland, meer speciaal de Utrechtse universiteit, was gezegend met zo’n instituut. De baas daar heette professor Tenhaeff. Hij was de auteur van boeken als Het wichelroedevraagstuk. Tenhaeff verscheen veelvuldig in de media om toelichting te geven op het helderziend vermogen van zijn favoriete proefpersoon, de paragnost Gerard Croiset. De boodschap was steeds dat achter de realiteit zoals we die kennen een andere, diepere dimensie schuilgaat.

Dat is allemaal verdwenen. De parapsychologie is roemloos ten onder gegaan. Een sleutelrol daarin speelt journalist Piet-Hein Hoebens (1948-1984). Hoebens was een scherpe geest. Als gymnasiast grossierde hij in negens en tienen, ging vervolgens rechten studeren, maar dat wisselde hij snel in voor de School voor Journalistiek. Hij kwam terecht bij De Telegraaf. Daar vatte hij een levendige belangstelling op voor parapsychologen. Hij schreef er talloze stukken over, in de krant, maar ook in Skeptical Inquirer, het huisblad van de internationale sceptici.

De verzamelde opstellen van Hoebens verschenen vorig jaar onder de titel Legitimacy of Unbelief. Het boek is een feest om te lezen. Kenmerkend voor de stijl van Hoebens is dat hij de parapsychologen niet weghoont, maar serieus neemt en op onderzoek uitgaat om hun beweringen te toetsen.

Een van de stukken in het boek gaat bijvoorbeeld over het geval van een zevenjarige jongen die op een dag spoorloos verdwijnt. Zijn schooljuffrouw roept de hulp in van Croiset. Weet hij wat er met de jongen is gebeurd? Croiset ziet voor zijn geestesoog dat de jongen is verdronken en weldra zal worden aangetroffen in de gracht naast de kazerne. Een paar dagen later wordt zijn stoffelijk overschot inderdaad in een gracht gevonden. Het is dit verhaal dat Tenhaeff voortdurend naar voren schoof als bewijs voor het bijzondere talent van Croiset.

Hoebens bestudeerde de krantenberichten en interviewde politiemensen die de zaak van nabij hadden meegemaakt. De schooljuffrouw bleek meerdere keren met Croiset te hebben gesproken. Bij hun eerste gesprek had Croiset haar nog gerustgesteld; ze hoefde zich geen enkele zorgen te maken. De kranten uit die dagen berichtten over de verdwijning en meldden dat de jongen in de buurt van de kazerne woonde. Het was trouwens niet in de gracht bij de kazerne waar de jongen uiteindelijk werd gevonden, maar in een andere gracht. Croiset had er dus naast gezeten, maar Tenhaeff transformeerde de miskleun met veel poeha tot een formidabel staaltje telepathie.

Hoe slechter de goochelaar, hoe luidruchtiger zijn impresario. Zo was het ook met Croiset en Tenhaeff. Hoebens beschrijft hoe Tenhaeff ondertussen bewust zweeg over al te evidente mislukkingen. Die waren er bijvoorbeeld in een Rotterdams verdwijningsgeval. Maar liefst honderd paragnosten, waaronder ook weer Croiset, probeerden de politie van een oplossing te voorzien. Tientallen plekken werden genoemd, maar geen kwam ook maar in de buurt van de uiteindelijke vindplaats van het stoffelijk overschot.

Negativisten

De onderzoeksjournalistieke sloopkogels van Hoebens leidden tot de deconstructie van Tenhaeff en de vaderlandse parapsychologie. De buitenzinnige wijze waarop Tenhaeff critici als Hoebens de mond probeerde te snoeren, droeg daar overigens aan bij. „Dat deze negativisten associatief verwant zijn aan personen die ontkennen dat er in Duitsland ooit concentratiekampen zijn geweest of Jodenvervolgingen hebben plaatsgevonden, hoeft wel geen betoog”, schreef de professor.

Het citaat maakt duidelijk dat Tenhaeff niet snapte waar het Hoebens om te doen was. Mensen, zo betoogde Hoebens keer op keer, geloven makkelijk dat er meer is tussen hemel en aarde en de vraag waar dat vandaan komt is een legitiem onderwerp van wetenschappelijke studie. Door zijn voortijdige dood heeft Hoebens jammer genoeg niet kunnen meemaken hoe de parapsychologie verdween uit het academisch straatbeeld en de psychologie van bijgeloof een bloeiende tak van onderzoek werd. Wat wetenschappers daar onder de loep nemen zijn alledaagse vormen van bijgeloof. Dan gaat het bijvoorbeeld om afkloppen als je het lot niet wilt tarten of om de rituelen die sporters uitvoeren vlak voor een belangrijke wedstrijd. Maar ook om de neiging om grote beurstransacties op vrijdag de 13de te vermijden.

Mensen geven grif toe dat het allemaal irrationeel is, maar doen het evenzogoed. Dát is interessant. De kern van dit type bijgeloof is dat er fysieke kracht wordt toegeschreven aan gedachten en symbolen. Daarom stuiten mannen als Croiset niet onmiddellijk op ongeloof als ze beweren aan een paar steekwoorden genoeg te hebben om innerlijk te schouwen wat er is gebeurd of staat te gebeuren. Magisch denken is het. Zit tussen de oren. En tussen hemel en aarde.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht.
    • Harald Merckelbach