Merlijn Doomernik

‘Ik was hard op weg een heel onaardige jongen te worden’

Thomas Acda | Interview

Vijf keer per week speelt Thomas Acda de hoofdrol in Fiddler on the roof. Vroeger had hij veel moeite met het idee een artiest te zijn. ‘Ik was altijd bang dat ze zouden zeggen: Oké, Thomas, we hebben even gelachen, maar nu ga je toch echt bij de ABN Amro werken.’

De menukaart van het restaurant aan de Amsterdamse gracht hoeft Thomas Acda niet eens te zien. „Ik weet toevallig dat de classic cheeseburger hier geen half werk is.” Maar de frietjes slaat hij af. Hij moet wel in conditie blijven, anders is zijn hoofdrol in Fiddler on the roof niet vol te houden. Vijf keer in de week speelt hij Tevyje, de Joodse melkboer in het dorpje Anatevka. Elke avond staat hij vrijwel onafgebroken drie uur op het toneel, met negentien anderen. Het vergt meer van ’m dan wat-ie vroeger bij Acda & De Munnik deed. „Toen was ik vijftig procent van de tijd aan de bal, nu zeker tachtig.” In ‘Fiddler’ komt veel samen van wat hij de afgelopen vijfentwintig jaar heeft gedaan: zingen, acteren, in het theater staan. Sterker nog, hij dánst nu zelfs. „Nou ben ik natuurlijk beroemd om mijn dansen. Dit stuk komt toch ook in jullie Dans-bijlage?”

Hij was na het schrijven van liedjes voor musical De Marathon (naar de gelijknamige film uit 2012) en het regisseren van zijn eerste bioscoopfilm (Oh Baby, 2017) net weer aan het nadenken over een rentree in het theater (het afscheid van Acda & De Munnik was in 2015) toen hij werd gevraagd voor de hoofdrol in de beroemde musical. Hij had niet gedacht dat hij het zo leuk zou vinden. Al viel het hem nog helemaal niet mee, de eindeloze lappen tekst uit zijn hoofd leren. En dan ook nog ’ns ándermans tekst. De opdracht van regisseur Ruut Weissman was dat ze het script naar de letter zouden volgen. Acda kon de regisseur hooguit via een gele memo laten weten dat een zin volgens hem beter anders zou kunnen. „Ik heb met Ruut de afspraak dat hij en ik nooit discussiëren over een woord of een zin waar de rest bij is. Als ik die memo daarna met een krulletje van hem terugkreeg, was het goed.”

Ik weet toevallig dat de classic cheeseburger hier geen half werk is

Hij dacht vooraf wel uitvoerig na over hoe hij het bekendste nummer uit de musical, If I were a rich man, zou doen. Hij wilde niet aankomen met een exacte kopie van zijn voorgangers Lex Goudsmit (die de rol eind jaren zestig speelde) of Henk Poort (eind jaren negentig, en een decennium later nog eens). „Opeens herinnerde ik me hoe Paul McCartney ooit Something van George Harrison vertolkte: met uitsluitend een ukelele. Ik heb zo’n ding gekocht en thuis geoefend. Ruut bleek het meesterlijk te vinden.” En ook Burt Vink, die de rechten van de musical beheert, was onder de indruk. „Hij had het volledig kunnen afkeuren, maar hij vond het fantastisch. Hij vroeg wel: Je hoeveelste musical is dit? Ik zei: Mijn eerste. Waarop hij zei: You’re crazy. Je eerste musical, en dan dit.”

Het verschil met de theatershows van Acda & De Munnik is dat hij zich totaal ondergeschikt moet maken aan zijn rol. Reageren op het publiek is pertinent verboden. Dat valt hem soms zwaar. „Er zit een heel geladen monoloog in het stuk. Op vijftienhonderd man is er altijd wel eentje die dat niet aankan en van de zenuwen gaat lachen. Dan moet je hopen dat anderen dat niet overnemen. Ik probeer dat af te remmen met een heel klein subtiel handgebaar. Terwijl ik er als cabaretier waarschijnlijk bovenop zou springen.” En dan heeft hij het nog niet eens over dat verschrikkelijke gedoe met mobieltjes aan het begin van elke voorstelling. „Je bent al minutenlang begonnen, terwijl je overal nog die schermpjes ziet oplichten. Soms zitten mensen er gewoon doorheen te praten. Dat is typerend voor Nederland. Buitenlandse bands die in Paradiso optreden, noemen dat The Dutch Disease: mensen die met hun telefoon blijven klooien en gewoon door een concert heen ouwehoeren, dwars door een verstild nummer heen. In mijn eigen programma zou ik zulke mensen vroeger afgemaakt hebben, op een leuke manier. Maar het verhaal van Tevye speelt zich af in 1905. Ik kan daar helemaal niks van zeggen zonder dat ik het verhaal kapot maak.”

Binnenhuisarchitect

Het succes van de musical is voor een groot deel de verdienste van regisseur Ruut Weissman, zegt Acda. „Ruut is een soort binnenhuisarchitect; hij zet met jou een bankje neer, terwijl hij ondertussen met anderen het tapijt en het dressoir maakt. Terwijl jij steeds alleen stukjes hebt gerepeteerd blijkt er ineens een heel huis, een hele show te zijn. Dan kan ik alleen maar denken: Tjonge, dat heb je verdomd goed gezien, zwager.”

Daarom was het ook zo navrant dat Weissman er niet bij was bij de première. Nadat hij in opspraak was gekomen door beschuldigingen in de #MeToo-discussie en sommige theatercollega’s dreigden met een boycot van de première, liet de regisseur noodgedwongen verstek gaan. De cast koos er nog wel voor om het in een verklaring voor de regisseur op te nemen.

Soms zitten mensen er gewoon doorheen te praten. Dat is typerend voor Nederland

Achteraf gezien had Weissman er natuurlijk gewoon bij moeten zijn, zegt Acda. Eigenlijk heeft hij totaal geen zin om er ook maar iets over te zeggen. „Dat heb ik tot nu toe ook niet gedaan.” Voor alle duidelijkheid: #MeToo is iets heel belangrijks. Daar gaat het hem helemaal niet om. „Maar bij Ruut zat het heel anders. Daar speelden andere motieven en belangen een rol. Ik wil niet in een maatschappij leven waarin we via sociale media bepalen wie er wel of niet schuldig is. Volgens mij hebben we daar een prima systeem voor bedacht dat ‘rechtspraak’ heet. Wat er hier gebeurd is, is een kras op de productie, een wond voor iedereen.”

De naïeve sukkel

Behalve in Fiddler on the roof is Thomas Acda vanaf dit weekend ook weer te zien in Jeuk, de comedyserie die aan het vijfde seizoen begint. Opgenomen ten tijde van de repetities van de musical, vandaar de volle Tevye-baard van ‘Thomas’ (alle personages in de serie hebben dezelfde naam als hun vertolker). De humor wordt voortdurend geschraagd door ongemak en gêne. „Dat vind je óf erg leuk óf verschrikkelijk. Peter (Heerschop) is mijn beste vriend, die mij altijd laat vallen zodra hij zijn hachje moet redden of er zelf beter uit kan komen. En ik ben voortdurend de naïeve sukkel.”

Het draait zelden om echte grappen, het is voornamelijk ‘situatiehumor’, zegt Acda. „Jij zit aan tafel, het publiek is er al en ik kom op. Jij hebt net iets over je broek gemorst en de serveerster heeft gezegd: ‘Geef mij die broek maar, ik maak ’m wel even snel droog.’ Alles wordt direct grappig als het publiek weet dat jij in je onderbroek zit en ik niet. Ik zeg: ‘Kom op man, het is mooi weer. We gaan naar buiten.’ ‘Nee, dat kan niet’, zeg jij. ‘Kom op nou, we gaan naar buiten.’ ‘Nee echt, het kan niet.’ Niemand die ook maar één grap maakt, en toch is het grappig. En de punchline is dat die vrouw terugkomt met die broek.”

Ook Jeuk is geen eigen werk. Dat komt straks wel weer, zegt Acda. Vanaf oktober zal hij weer in het theater staan met een eigen programma. Zonder Paul de Munnik, dat wel. Aan die samenwerking kwam in 2015 een definitief einde, na tweeëntwintig jaar samenwerken.

Ik wil niet in een maatschappij leven waarin we via sociale media bepalen wie er wel of niet schuldig is

Hun succes was enorm; ze maakten vijftien cd’s (met hits als Niet of nooit geweest) en speelden vijf theaterprogramma’s. Maar zingen met De Munnik, dat zal niet snel meer gebeuren, zegt Acda. Hij zat vier jaar geleden in de auto toen zijn compaan hem belde. Of ze even een biertje konden drinken. Hij wist direct dat er wat aan de hand was. „Paul wilde niet meer samen verder. Hij wilde een solocarrière.”

Inmiddels is hij wel aan het idee gewend. „Maar ik vond het in het begin heel erg moeilijk. Was boos, verdrietig, vol onbegrip. Aan de andere kant: als iemand zo graag iets anders wil, dan houdt het op. Als je vrouw bij je weg wil, dan heeft het ook geen zin om te proberen haar om te praten. Paul wilde dat tourleven niet meer. Nu tourt hij wel weer, maar veel minder dan in onze tijd. Ik dacht eerst nog: oké, dan treden we niet meer op, maar we kunnen nog wel samen platen maken. Maar dat zat er ook niet meer in. En verder moet je het maar aan Paul vragen.”

Ze traden vorig jaar nog één keer samen op, bij de uitvaart van Eberhard van der Laan, met hun eigen versie van het Brel-nummer Amsterdam. „Als zijn dochter belt, dan doé je dat natuurlijk.” Het was een verpletterende ervaring, in velerlei opzicht. „Het was weer precies zoals we het altijd gedaan hadden: even kijken naar elkaar en dan gewoon maar beginnen.” Maar loodzwaar, zegt Acda. „Daar sta je dan, met negenhonderd mensen voor je, die allemaal diepverdrietig zijn. Pal achter de kist van Eberhard. Er komt zo’n golf van emotie op je af. Ik zat daardoor heel hoog in mijn adem. Op dat moment moet je je echt enorm concentreren. Maar dat lukt dan toch, we kopten ’m er keihard in. Na afloop was er uiteraard geen applaus. En ik met m’n stomme kop toch nog een halfslachtig buiginkje maken.”

Jongetje uit De Rijp

Eenenvijftig is hij inmiddels. Best een vreemd besef. „Al vind het ik een nog vreemder besef dat mijn eigen zoon al achttien is.” En toch kan hij nu al redelijk tevreden omkijken. „Er is drie keer meer uitgekomen dan ik ooit had kunnen denken. Als je mij op mijn zestiende had verteld dat ik twee miljoen platen zou verkopen, had ik je hartelijk uitgelachen.” En wie had het toen voor mogelijk gehouden dat hij ook als acteur een mooie staat van dienst zou opbouwen? „Ik ben niet God’s gift aan de wereld, qua schoonheid en acteertalent. Maar ik heb toch al heel wat rollen gespeeld voor film en televisie. Best opmerkelijk voor een jongetje uit De Rijp.”

Hij was de middelste in een gezin met drie jongens. Zijn ouders stimuleerden hun zoons om vooral te doen waar ze zich goed bij voelden. „Ze hebben op ons verzoek geholpen een tafeltennisvereniging op te richten. En een kanovereniging omdat we wilden kanoën. Ging mijn vader zelfs een speciaal logo maken op z’n reclamebureau. Als wij er na drie maanden alweer af gingen, zaten zij nog drie jaar in het bestuur.”

Ik ben niet God’s gift aan de wereld, qua schoonheid en acteertalent

Wat hij nou precies wilde worden, vroeg zijn vader hem toen Acda al een jaar op de toneelschool zat. Een tweede Ko van Dijk? „Nee, antwoordde ik, terwijl ik nauwelijks een idee had wie dat was.” Heel goed, vond zijn vader. „Want jij moet zorgen dat je een eerste Thomas Acda wordt.” Hij bewaart warme herinneringen aan de zomeravondsessies waarbij het gezin in de tuin zat, en ieder gezinslid een voor een zijn favoriete nummer op de pick-up mocht leggen. „Dan kwam echt van alles voorbij, van de Beatles tot Aznavour”. Met een vreugdeloos lachje: „Maar ja, wegens het overlijden van sommige deelnemers is daar nu enigszins de klad in gekomen.”

Zijn jongere broer Bart stierf in 2000 plotseling aan een hartkwaal, zijn moeder overleed in 2015, aan kanker. Ze heeft zijn dochter Lucy gelukkig nog wel gekend, zegt Acda. Soms vraagt hij zich af of hij het zijn moeder daar niet moeilijker door gemaakt heeft. „Mijn dochter was net geboren. Ik dacht: ik moet mijn moeder stimuleren, haar nog een impuls geven. Ze lag in een volledig ontsmette ruimte in het ziekenhuis. Ze was zo ziek, ze kón gewoon niet meer. We zijn met Lucy naar haar toe gegaan. Toen heeft ze kennelijk besloten: ik wil haar nog zeker tien zien worden. Vervolgens heeft ze nog een paar jaar geleefd. Achteraf heb ik er spijt van, want het heeft haar zoveel pijn en verdriet gekost. Toen ze uiteindelijk doodging, heb ik amper gehuild. De dood was voor haar een verlossing.”

Zo goed is het ook weer niet

Familie gaat voor alles. De geboorte van zijn zoon Finn in 2000 was een regelrecht kantelpunt in zijn bestaan. „Al voordat hij geboren was, dacht ik: kom maar! Zalig idee vond ik dat. Dan draaide het tenminste niet meer allemaal om mij. Want ik was hard op weg om een heel onaardige jongen te worden. Alleen maar bezig met mezelf en mijn carrière. En dat wel twintig uur per dag! Toen Finn geboren was, heb ik anderhalf jaar niet gespeeld. En toen ik ging scheiden van zijn moeder heb ik opnieuw anderhalf jaar niets gedaan. Ik wilde er alleen maar zijn voor hem. Tuurlijk, ik kon het me permitteren. Maar het kostte me ook geen enkele moeite.”

De dood was voor haar een verlossing

Het was in de beginjaren van Acda & De Munnik echt een gekkenhuis geweest. Ze konden amper nog normaal over straat lopen. „Echte Beatles-taferelen. Dat is heel even leuk. Maar daarna word je er behoorlijk schizofreen van. Het doet iets raars met je bestaan. Iets heel ongezonds. Eerst geloof je nog even dat het misschien wél waar is wat ze denken; dat je echt geweldig bent. Daarna slaat de onzekerheid toe. Omdat je heel goed weet dat het niet klopt. Zo goed is het nou ook weer niet.” Uiteindelijk besloot hij naar een psychiater te gaan. Achteraf was het één van de beste beslissingen die hij ooit heeft genomen. „Het gaf me zo’n rust als ik met die man praatte. Ik had ’m aan het begin een paar cd’s van ons gegeven. Toen hij ze beluisterd had zei hij: ‘Een Slauerhoff bent u niet, hè?’ Dat kon ik moeilijk tegenspreken.

„Na negen maanden vroeg ik hem: ‘Komen we nog een keer tot een conclusie?’. Hij zei: ‘Oh, u wilt een conclusie?’. ‘Nou ja, misschien een tussenrapportje.’ En toen zei hij: ‘U bent zo bang dat u ontmaskerd wordt. Dat is niet nodig. U bent wie u bent. En dat is goed genoeg.’ Ik begreep het in eerste instantie niet. Hoezo ‘ontmaskerd’?

Toen ik naar huis fietste, drong het pas tot me door. Natúúrlijk, dat is het. Dat is het precies! Ik had altijd dat onrustige gevoel dat mensen zouden zeggen: ‘Oké, Thomas, we hebben even gelachen, maar nu ga je toch echt bij de ABN Amro werken. Want daar hóór je. Hoe kóm je erbij dat jij een liedjesschrijver zou zijn?’ Het was zo’n ontzaglijke opluchting. Vanaf dat moment was ik wie ik was. En ik wist het eindelijk zelf ook.”